Centrale Raad van Beroep, 16-12-2009 / 08-6237 WAO + 09-3643 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BK6994

Inhoudsindicatie
Intrekking WAO-uitkering. Uitspraak 1: Zorgvuldig medisch onderzoek. In de door appellant ingebrachte brief van behandelend psychiater R.W. Jesserun van 4 december 2008 ziet de Raad geen aanknopingspunten dat de psychische belastbaarheid van appellant op de datum in geding is overschat. De maatmanfunctie dient voor appellant in medisch opzicht als geschikt te worden aangemerkt. Uitspraak 2: Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-16
Publicatiedatum
2009-12-18
Zaaknummer
08-6237 WAO + 09-3643 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/6237 WAO + 09/3643 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op de hoger beroepen van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 september 2008, 08/617 en 18 mei 2009, 08/5569 (hierna respectievelijk: aangevallen uitspraak 1 en aangevallen uitspraak 2),


in de gedingen tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 16 december 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. Th.T.M. van Hemert, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 4 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant, geboren in 1957, is op 26 juni 2000 wegens rug- en beenklachten uitgevallen voor zijn in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden verrichte werk als inpakker chocolade. Na afloop van de wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2. Bij een herbeoordeling in het kader van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is appellant op 17 oktober 2006 onderzocht door verzekeringsarts W.F. Groen, die in zijn rapport van dezelfde datum tot de conclusie komt dat appellant met name beperkingen heeft met betrekking tot rug- en linkerenkel belastende activiteiten. Bij psychisch onderzoek zijn er geen duidelijke tekenen die wijzen op een psychische decompensatie. Met inachtneming hiervan is een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is arbeidsdeskundige H.J.L. Fontein tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk, waarna bij besluit van 15 december 2006 de uitkering per 7 februari 2007 is ingetrokken omdat de arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.


1.3. De bezwaarverzekeringsarts B.C.M. Admiraal heeft dossieronderzoek verricht en bij rapport van 4 december 2007 aangegeven dat hij zich kan verenigen met de FML. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 18 december 2007 het bezwaar tegen het besluit van 15 december 2006 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 december 2007 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Hierin heeft zij overwogen dat er geen aanleiding is om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. De rechtbank heeft het aanvaardbaar geacht dat de bezwaarverzekeringsarts heeft volstaan met dossieronderzoek, aangezien in de bezwaarprocedure geen nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen en appellant niet onder behandeling stond van een specialist. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn dat het medische oordeel van de verzekeringsartsen niet juist is. Tot slot heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met het standpunt van de arbeidsdeskundige, dat de maatmanfunctie van inpakker chocolade geschikt is voor appellant, aangezien uit de werkomschrijving blijkt dat het zowel psychisch als lichamelijk een weinig belastende functie is.


3.1. Appellant is voorts per 22 februari 2007 herbeoordeeld in het kader van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zoals dat luidde vóór 1 oktober 2004. Daartoe heeft verzekeringsarts Z.T. Canova hem op 13 november 2007 onderzocht en is deze tot eenzelfde belastbaarheid gekomen als verzekeringsarts Groen. Na onderzoek door de arbeidsdeskundige A. Pronk is appellant bij besluit van 19 november 2007 meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 ongewijzigd minder dan 15% is. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.


3.2. De bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer heeft dossieronderzoek verricht - en daarbij informatie van de huisarts betrokken - en bij rapport van 5 juni 2008 aangegeven dat zij zich kan verenigen met de door Canova vastgestelde belastbaarheid. Nadat de bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde op 12 juni 2008 rapport had uitgebracht waaruit blijkt dat appellant ook op 22 februari 2007 geschikt was voor de maatgevende arbeid, heeft het Uwv bij besluit van 16 juni 2008 het bezwaar tegen het besluit van 19 november 2007 ongegrond verklaard.


4. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 juni 2008 (hierna: bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Hierin heeft zij overwogen dat er geen aanleiding is het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten en er geen aanknopingspunten zijn dat het medische oordeel niet juist is. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de maatmanfunctie geschikt is voor appellant.


5. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 heeft appellant aangevoerd dat hij, gelet op zijn leeftijd, ten onrechte is herbeoordeeld op basis van het aangepaste Schattingsbesluit en dat de uitlooptermijn van 2 maanden niet in acht is genomen. Ten aanzien van beide aangevallen uitspraken heeft appellant aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig heeft plaatsgevonden omdat de bezwaarverzekeringsartsen ten onrechte hebben volstaan met het uitsluitend verrichten van dossieronderzoek. Appellant is van mening dat het in de rede had gelegen om een psychiatrische expertise te laten verrichten. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij vanwege zijn lichamelijke en psychische klachten niet in staat is om arbeid te verrichten.


6. Ten aanzien van aangevallen uitspraak 1 overweegt de Raad als volgt.


6.1. Met betrekking tot de niet nader onderbouwde grief dat de herbeoordeling ten onrechte heeft plaatsgevonden op basis van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit volstaat de Raad met het verwijzen naar zijn uitspraak van 22 april 2009, LJN BH0312, waaruit blijkt dat deze grief van appellant niet slaagt.


6.2. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek niet onzorgvuldig is uitgevoerd en dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellant bij het nemen van het bestreden besluit is overschat. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit 1. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten op grond waarvan dient te worden afgeweken van het oordeel van de rechtbank zijn niet naar voren gebracht. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de medische grondslag. In de door appellant ingebrachte brief van behandelend psychiater R.W. Jesserun van 4 december 2008 ziet de Raad geen aanknopingspunten dat de psychische belastbaarheid van appellant op de datum in geding is overschat.


6.3. De arbeidsdeskundige H.J.L. Fontein heeft bij zijn rapport van 6 december 2006 een omschrijving gevoegd van de maatmanarbeid van appellant. De Raad stelt vast dat de juistheid van die beschrijving ook in hoger beroep niet in geschil is. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de maatmanfunctie, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dient te worden aangemerkt.


6.4. De grief van appellant met betrekking tot de uitlooptermijn kan niet slagen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad vangt de uitlooptermijn aan met het moment dat betrokkene is geconfronteerd met de opvatting dat hij geschikt wordt geacht voor passende werkzaamheden. De Raad stelt vast dat arbeidsdeskundige Fontein bij brief van 6 december 2006 aan appellant heeft meegedeeld dat hij geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk. De uitkering van appellant is vervolgens per 7 februari 2007 ingetrokken, hetgeen betekent dat een uitlooptermijn van 2 maanden in acht is genomen.


7. Ten aanzien van aangevallen uitspraak 2 volstaat de Raad met verwijzing naar de onder 6.2 en 6.3 gegeven overwegingen nu appellant in dit verband geen andere medische en arbeidskundige grieven heeft aangevoerd die dienen te leiden tot een ander oordeel. De Raad acht hiervoor van belang dat het door verzekeringsarts Canova en het door bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer verrichte onderzoek tot dezelfde uitkomsten hebben geleid. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat het bestreden besluit 2 op een deugdelijke medische en de arbeidskundige grondslag berust.


8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.


Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009.


(get.) H. Bolt.


(get.) I.R.A. van Raaij.


IvR