Centrale Raad van Beroep, 15-12-2009 / 08-2058 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BK7051

Inhoudsindicatie
Buiten behandeling stellen bijstandsaanvraag en terugvordering bij wijze van voorschot verleende bijstand. De Raad stelt vast dat appellant op 17 oktober 2006, zijnde de laatste dag van de aan appellant gegeven hersteltermijn, nog geen verklaring had gegeven voor het resterende bedrag aan kasstortingen van in totaal ongeveer € 4.500,--. Dat appellant nog wel een poging heeft ondernomen om een mondelinge verklaring af te leggen, maar daarvan om hem moverende redenen heeft afgezien, doet hier niet aan af. Voorts kan uit het enkele feit dat in een van de kant van het College opgemaakte rapportage is vermeld dat de verklaring niet deugdelijk is, anders dan appellant stelt, niet worden afgeleid dat de bijstandsaanvraag reeds inhoudelijk was behandeld, dan wel dat deze verklaring voldoende was om de aanvraag inhoudelijk te kunnen beoordelen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College bevoegd was om de bijstandsaanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen. Appellant heeft tegen het oordeel van de rechtbank over de terugvordering van de bij wijze van voorschot verleende bijstand, waarbij deze in stand is gelaten, geen zelfstandige beroepsgronden naar voren gebracht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-15
Publicatiedatum
2009-12-18
Zaaknummer
08-2058 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/2058 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 februari 2008, 07/122 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: College)


Datum uitspraak: 15 december 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.A.E. Bol, werkzaam bij Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2009. Voor appellant is verschenen mr. Bol. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en

omstandigheden.


1.1. Appellant ontving tot 6 april 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand

(WWB) van de gemeente Winschoten. Vanaf 1 maart 2006 tot 29 juni 2006 exploiteerde appellant het eethuis [naam eethuis].


1.2. Op 22 september 2006 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB ingediend. Het College heeft appellant bij brieven van 3 oktober 2006 en 10 oktober 2006 in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te vullen door, voor zover hier van belang, een schriftelijke verklaring over te leggen van de in de periode van 24 april 2006 tot en met 8 september 2006 op de verschillende bankrekeningen gedane kasstortingen tot een bedrag van in totaal € 6.945,11. Daarbij is aangegeven dat indien de gevraagde gegevens niet binnen één week na de verzenddatum van de brieven worden ingeleverd, de aanvraag niet in behandeling zal worden genomen.


1.3. Bij ongedateerde brief heeft appellant het College bij wijze van schriftelijke verklaring van de kasstortingen meegedeeld dat hij vakantiegeld van de Sociale Dienst Winschoten had ontvangen en dat hij een eigen vermogen had van ongeveer € 2.500,--.


1.4. Bij besluit van 8 november 2006 heeft het College de aanvraag van appellant met

toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant op 17 oktober 2006 onvoldoende

gegevens met betrekking tot de diverse kasstortingen overgelegd. Bij besluit van

eveneens 8 november 2006 heeft het College tevens de aan appellant bij wijze van

voorschot verleende bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, onder d, van de WWB tot een bedrag van € 220,-- van appellant teruggevorderd.



1.5. Bij besluit van 16 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van

8 november 2006, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

16 januari 2007 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.


4.2. Niet in geschil is dat een verklaring over de herkomst van de kasstortingen die op de bankre-keningen van appellant zijn gedaan in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag van belang is om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie van appellant en daarmee ook voor de beoordeling van zijn recht op bijstand. Het College heeft dan ook terecht om zo’n verklaring verzocht.


4.3. De Raad stelt vast dat appellant met de onder 1.3 bedoelde brief een verklaring heeft gegeven over de (herkomst van de) kasstortingen tot een bedrag van in totaal ongeveer € 2.500,--. Voorts stelt de Raad vast dat appellant op 17 oktober 2006, zijnde de laatste dag van de aan appellant ge-geven hersteltermijn, nog geen verklaring had gegeven voor het resterende bedrag aan kasstortin-gen van in totaal ongeveer € 4.500,--. Dat appellant nog wel een poging heeft ondernomen om een mondelinge verklaring af te leggen, maar daarvan om hem moverende redenen heeft afgezien, doet hier niet aan af. Voorts kan uit het enkele feit dat in een van de kant van het College opgemaakte rapportage is vermeld dat de onder 1.3 bedoelde verklaring niet deugdelijk is, anders dan appellant stelt, niet worden afgeleid dat de bijstandsaanvraag reeds inhoudelijk was behandeld, dan wel dat deze verklaring voldoende was om de aanvraag inhoudelijk te kunnen beoordelen.


4.4. Gelet op hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College bevoegd was om de bijstandsaanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


4.5. In bezwaar heeft appellant alsnog een verklaring gegeven voor de herkomst van het onder 4.4 genoemde bedrag aan kasstortingen van in totaal € 4.500,--. Naar vaste rechtspraak brengt de aard en inhoud van een primair besluit, strekkende tot het buiten behandeling laten van een aanvraag om bijstand echter met zich mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat belanghebbende redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde (herstel)termijn te verstrekken. Deze uitzondering doet zich in het geval van appellant niet voor, nu appellant blijkens het verslag van de hoorzitting reeds binnen de geboden termijn de in de bezwaarfase overgelegde verklaringen in zijn bezit had en ook overigens niet binnen de geboden termijn heeft aangegeven redelijkerwijs niet over de gevraagde gegevens dan wel verklaringen te kunnen beschikken.


4.6. Appellant heeft tegen het oordeel van de rechtbank over de terugvordering van de bij wijze van voorschot verleende bijstand, waarbij deze in stand is gelaten, geen zelfstandige beroepsgron-den naar voren gebracht, zodat dit onderdeel van de aangevallen uitspraak geen nadere bespreking behoeft.


4.7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.


(get.) J.C.F. Talman.


(get.) B.E. Giesen.


mm