Centrale Raad van Beroep, 10-12-2009 / 08-6013 WUV


ECLI:NL:CRVB:2009:BK7203

Inhoudsindicatie
De Raad is met verweerster van oordeel dat er ten aanzien van appellante niet is gebleken van met vervolging vergelijkbare omstandigheden. Hiertoe overweegt de Raad dat uit de door appellante gegeven beschrijving van de wegvoering van haar vader niet naar voren komt dat dit gepaard is gegaan met excessief geweld. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat de vader na zijn gevangenschap bij het gezin is teruggekeerd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-10
Publicatiedatum
2009-12-21
Zaaknummer
08-6013 WUV
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/6013 WUV



Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[appellante], Indonesië (hierna: appellante),


en


de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)



Datum uitspraak: 10 december 2009



I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 26 juni 2008, kenmerk BZ 47746, JZ/W60/2008, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2009. Daar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.



II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante, geboren in 1929 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering op grond van de Wet. In dat verband heeft appellante naar voren gebracht dat zij ervan getuige is geweest dat haar vader door de Japanners werd opgepakt en is weggevoerd. Vervolgens heeft haar vader, aldus appellante, in Thailand werkzaamheden moeten verrichten aan de beruchte dodenspoorweg.


1.2. Bij besluit van 18 februari 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen. Hiertoe heeft verweerster overwogen dat appellante geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en dat haar oorlogsomstandigheden niet zodanig uitzonderlijk zijn dat zij met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.


2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.


2.1. Op grond van de gedingstukken staat vast en door appellante wordt ook niet betwist, dat appellante geen vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan.


2.2. Met betrekking tot verweersters weigering om appellante met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen overweegt de Raad het volgende.


2.3. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster, onder meer, bevoegd om met de vervolgde gelijk te stellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren verkeerde in omstandigheden die overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster hierbij een ruime beleidsvrijheid toekomt en de Raad een beslissing van verweerster op dit punt slechts terughoudend kan toetsen.


2.4. In het kader van artikel 3, tweede lid, van de Wet pleegt verweerster tot met de vervolging vergelijkbare omstandigheden te rekenen de aanwezigheid van de betrokkene bij het onder excessief geweld wegvoeren van een ouder tijdens de Japanse bezetting, dan wel het omkomen van een ouder als gevolg van vervolging tijdens de Japanse bezetting.


2.5. De Raad is met verweerster van oordeel dat er ten aanzien van appellante niet is gebleken van met vervolging vergelijkbare omstandigheden. Hiertoe overweegt de Raad dat uit de door appellante gegeven beschrijving van de wegvoering van haar vader niet naar voren komt dat dit gepaard is gegaan met excessief geweld. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat de vader na zijn gevangenschap bij het gezin is teruggekeerd.


3. Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.


4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2009.



(get.) G.L.M.J. Stevens.



(get.) T.J. van der Torn.




HD