Centrale Raad van Beroep, 15-12-2009 / 08/414 WWB + 08/415 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BK7217

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. De Raad is van oordeel dat de door appellante van de bankrekening van haar moeder opgenomen bedragen moeten worden aangemerkt als inkomen waarmee bij de verlening van bijstand aan appellante rekening moet worden gehouden. Appellante heeft van de machtiging en van de kasopnames bij het College geen melding gemaakt. Schending inlichtingenverplichting. De Raad is van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of appellante van 1 februari 2003 tot 1 februari 2004 recht had op bijstand. De Raad leidt uit de gedingstukken verder af dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode vanaf november 2005 tegen beloning werkzaamheden in de thuiszorg heeft verricht. Appellante heeft de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door bij het College van het inkomen uit deze werkzaamheden geen melding te maken. De Raad is van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of appellante over mei, juni en juli 2004 en over de periode vanaf 1 november 2005 recht had op (aanvullende) bijstand. Appellante heeft naar het oordeel van de Raad omtrent de eigendom van een boot onvoldoende duidelijkheid verschaft om te kunnen bepalen of zij daarover al dan niet feitelijk de beschikking heeft gehad en of die boot tot haar vermogen kon worden gerekend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-15
Publicatiedatum
2009-12-22
Zaaknummer
08/414 WWB + 08/415 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/414 WWB

08/415 WWB



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellante] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 december 2007, 07/1439, 07/4894, 07/7789 en 07/7811 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)



Datum uitspraak: 15 december 2009



I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat te Wassenaar, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2009. Voor appellante is verschenen mr. Sanchez Montoto. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante ontving sedert 1 januari 1998 bijstand naar de norm voor een alleenstaande laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Anonieme tips in 2004 en 2006 hebben geleid tot een onderzoek vanwege het College naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen en conclusies van dat onderzoek zijn neergelegd in rapportages van 22 juni 2006 en 7 september 2006. Op verzoek van appellante is de bijstand met ingang van 1 september 2006 beëindigd op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voert met M. [M.].


1.2. Bij besluit van 30 oktober 2006 heeft het College de aan appellante verleende bijstand over de periode van 1 februari 2003 tot 1 september 2006 ingetrokken en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 40.113,53 van appellante teruggevorderd.


1.3. Bij besluit van 8 januari 2007, voor zover hier van belang, heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 30 oktober 2006 ongegrond verklaard. Hierbij heeft het College zich op het standpunt gesteld dat appellante geen mededeling heeft gedaan van door haar verrichte werkzaamheden en van genoten inkomsten, van het bezit van vermogen in de vorm van een auto en een boot alsmede van de omstandigheid dat zij medegemachtigde was van de bankrekening van haar moeder en van de aanzienlijke geldbedragen die zij van die rekening heeft opgenomen. Volgens het College heeft appellante derhalve gedurende de periode van 1 februari 2003 tot 1 september 2006 de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre zij in die periode beschikte over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.


1.4. Bij besluit van 21 februari 2007 heeft het College het nog openstaande netto bedrag van de schuld van appellante met betrekking tot het kalenderjaar 2006 alsnog verhoogd met de daarover verschuldigde loonheffing van € 3.569,76 en ook dit bedrag van appellante teruggevorderd.


1.5. Bij besluit van 25 mei 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2007 kennelijk ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt van het College dat appellante na het verstrijken van het jaar 2006 de op dat jaar betrekking hebbende (netto) schuld nog niet (volledig) had afgelost.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 8 januari 2007 voor zover dat ziet op de intrekking en terugvordering ongegrond verklaard, het beroep tegen het besluit van 25 mei 2007 gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen de bij het besluit van 8 januari 2007 gehandhaafde intrekking en terugvordering ongegrond is verklaard en de rechtsgevolgen van het besluit van 25 mei 2007 in stand zijn gelaten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De Raad leidt uit de gedingstukken af dat appellante gemachtigde was voor een bankrekening op naam van haar moeder en dat appellante over de periode van februari 2002 tot februari 2003 re-gelmatig bedragen van die rekening heeft opgenomen. Niet is gebleken dat appellante deze bedra-gen ten behoeve van haar moeder van deze rekening heeft opgenomen. De moeder van appellante heeft ter zake wisselende verklaringen afgelegd. Verklaarde zij op 13 april 2004 nog dat appellante gedurende de periode van februari 2002 tot februari 2003 voor privégebruik geld van haar rekening heeft opgenomen, op 19 april 2004 heeft zij verklaard dat zij geld aan J.R. [F.] (hierna: [F.]) heeft uitgeleend en dat de bedragen die appellante van haar rekening heeft opgenomen die lening betroffen. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de door appellante van de bankrekening van haar moeder opgenomen bedragen moeten worden aangemerkt als inkomen waarmee bij de verlening van bijstand aan appellante rekening moet worden gehouden. Appellante heeft van de machtiging en van de kasopnames bij het College geen melding gemaakt. Daarmee heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Nu niet duidelijk is geworden op welke data de kasopnames hebben plaatsgevonden en derhalve geen van die kasopnames aan enige in de periode van februari 2002 tot februari 2003 gelegen kalendermaand kan worden toegerekend, is de Raad van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet wor-den vastgesteld of appellante van 1 februari 2003 tot 1 februari 2004 recht had op bijstand.


4.2. De Raad leidt verder uit de gedingstukken af dat appellante in juni, juli en augustus 2004 ge-durende vijf dagen per week van 6.00 tot 9.00 uur ’s morgens heeft gewerkt als uitdeler van kran-ten en dat zij uit die werkzaamheden inkomsten heeft genoten.

Dat appellante, zoals zij stelt, de verdiensten op haar verzoek aan [F.] heeft laten overmaken betekent niet dat zij geen inkomsten heeft genoten. De Raad leidt uit de gedingstukken verder af dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode vanaf november 2005 tegen beloning werk-zaamheden in de thuiszorg heeft verricht bij een mevrouw te Schipluiden. Appellante heeft de wet-telijke inlichtingenverplichting geschonden door bij het College van het inkomen uit deze werk-zaamheden geen melding te maken. Appellante heeft, ofschoon zij daartoe in de gelegenheid is ge-steld, niet aan de hand van verifieerbare gegevens aangetoond hoe hoog het inkomen uit die werk-zaamheden was. Nu over de hoogte van het inkomen uit deze werkzaamheden onduidelijkheid is blijven bestaan, is de Raad van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenver-plichting niet kan worden vastgesteld of appellante over mei, juni en juli 2004 en over de periode vanaf 1 november 2005 recht had op (aanvullende) bijstand.


4.3. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode een auto op haar naam had staan, te weten een Mazda 121, bouwjaar 1998.

Tussen partijen is niet in geschil dat deze auto tot haar vermogen behoorde. Door daarvan bij het College geen melding te maken heeft appellante de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Nu appellante geen opheldering heeft verschaft over de waarde van die auto, kan als gevolg van die schending niet worden vastgesteld of appellante gedurende de hier te beoordelen periode in bij-standbehoevende omstandigheden verkeerde.


4.4. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante op 25 mei 2000 een verzekering heeft afgesloten voor een boot - een pleziervaartuig, type “ Kilkruiser” - voor een bedrag van € 11.231,--. Appellante heeft gesteld dat die boot niet van haar was, maar van M. [M.]. Aan de handgeschreven verklaringen die appellante ter ondersteuning van die stelling heeft overgelegd kan de Raad, bij het ontbreken van objectieve en verifieerbare gegevens zoals een bewijs van eigendom of een uittreksel uit het botenregister, geen doorslaggevende betekenis toekennen. Niet gebleken is dat de boot in de periode van 1 februari 2003 tot 1 september 2006 is verkocht. Evenmin is gebleken dat de verzekering van de boot in die periode op naam van een derde is gezet. Appellante heeft naar het oordeel van de Raad omtrent de eigendom van deze boot onvoldoende duidelijkheid verschaft om te kunnen bepalen of zij daarover al dan niet feitelijk de beschikking heeft gehad en of die boot tot haar vermogen kon worden gerekend. In zoverre heeft appellante ook in dit opzicht de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of appellante over de periode van 1 februari 2003 tot 1 september 2006 recht had op (aanvullende) bijstand.


4.5. Gelet op het onder 4.1 tot en met 4.4 overwogene was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periode in geding. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid van die bevoegdheid geen gebruik heeft kunnen maken.


4.6. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de kosten van bijstand over de periode van 1 februari 2003 tot

1 september 2006 terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen op grond waarvan het College van terugvordering had kunnen afzien. De financiële omstandigheden van appellante kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Dit geldt evenzeer ten aanzien van de gestelde psychische problemen, nu niet gebleken is dat deze door een medisch deskundige worden onderschreven. In het door appellante gedane beroep op het evenredigheidsbeginsel en in hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van terugvordering had moeten afzien.


4.7. Ten aanzien van het besluit van 25 mei 2007 zijn in hoger beroep geen afzonderlijke beroepsgronden naar voren gebracht. Overigens is de Raad niet gebleken dat de rechtbank de rechtsgevolgen van dit besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. Dit onderdeel behoeft verder dan ook geen bespreking.


4.8. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.



(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.



(get.) R.B.E. van Nimwegen.




DW