Centrale Raad van Beroep, 10-12-2009 / 09-3037 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2009:BK7244

Inhoudsindicatie
Op grond van de gedingstukken staat vast, en is namens appellante ook niet betwist, dat het door haar tegen het besluit van verweerster van 7 juli 2008 ingediende bezwaar geen gronden bevat en dat zij dit verzuim niet binnen de daartoe gestelde, redelijke termijn heeft hersteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-10
Publicatiedatum
2009-12-21
Zaaknummer
09-3037 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/3037 WUBO



Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[appellante], Portugal (hierna: appellante),


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)



Datum uitspraak: 10 december 2009



I. PROCESVERLOOP


Namens appellante is beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 5 maart 2009, kenmerk BZ 8687, JZ/B90/2009, door verweerster ten aanzien van appellante genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2009. Voor appellante is daar verschenen haar zoon M. van Harreveld, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.



II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 7 juli 2008, op de grond dat appellante weliswaar is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld (gevangenschap in de Bantieujgevangenis te Bandoeng tijdens de Japanse bezetting) maar daardoor niet blijvend is geïnvalideerd.


1.2. Tegen genoemd besluit heeft appellante bij schrijven van 18 september 2008 bezwaar gemaakt, onder aantekening dat de motivering daarvan nader zal volgen. Die motivering is ondanks herhaaldelijke aanmaning, laatstelijk bij schrijven van 12 november 2008, niet bij verweerster ingediend. Om die reden heeft verweerster het bezwaar van appellante, onder verwijzing naar de in artikel 6:5, eerste lid onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen verplichting, bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard.


1.3. In beroep is namens appellante aangevoerd, kort samengevat, dat haar gezondheid in de tweede helft van 2008 slecht was en dat zij bovendien niet veel vertrouwen had in een goede afloop en ook niet erg geneigd was om hulp te zoeken bij anderen.


2. De Raad staat voor de vraag of, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Daartoe wordt overwogen als volgt.


2.1. Ingevolge de artikelen 6:5, eerste lid onder d, en 6:6 van de Awb dient een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar te bevatten en kan bij ontbreken daarvan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad om het verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen.


2.2. Op grond van de gedingstukken staat vast, en is namens appellante ook niet betwist, dat het door haar tegen het besluit van verweerster van 7 juli 2008 ingediende bezwaar geen gronden bevat en dat zij dit verzuim niet binnen de daartoe gestelde, redelijke termijn heeft hersteld. Voorts heeft de Raad aan de voorhanden zijnde gegevens niet kunnen ontlenen dat appellante, eventueel met hulp van derden zoals haar zoon voormeld, niet in staat is geweest om die motivering binnen de gestelde termijn alsnog in te dienen. De omstandigheid dat appellante niet veel vertrouwen had in een goede afloop en daarom de zaak op zijn beloop heeft gelaten en ook niet de hulp van bijvoorbeeld familie heeft willen inroepen, acht de Raad niet van dien aard dat gezegd moet worden dat verweerster in redelijkheid niet van de haar in artikel 6:6 van de Awb gegeven bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


3. Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.


4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2009.



(get.) G.L.M.J. Stevens.



(get.) T.J. van der Torn.




HD