Centrale Raad van Beroep, 03-12-2009 / 07/6820 AW + 08/6100 AW + 08/6101 AW + 08/6102 AW + 08/6103 AW + 08/6104 AW e.v.


ECLI:NL:CRVB:2009:BK7315

Inhoudsindicatie
Plaatsing in andere functie. Vaststellingsovereenkomst. Mediation. Disciplinaire straffen 1 en 2, schorsingsbesluit 1, inhouding bezoldiging, dienstopdracht, beoordeling, schorsingsbesluit 2 en ontzegging toegang dienstgebouwen. Strafontslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-03
Publicatiedatum
2009-12-22
Zaaknummer
07/6820 AW + 08/6100 AW + 08/6101 AW + 08/6102 AW + 08/6103 AW + 08/6104 AW e.v.
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2010/50
Uitspraak

07/6820 AW, 08/6100 AW, 08/6101 AW, 08/6102 AW, 08/6103 AW, 08/6104 AW, 08/6105 AW, 08/6106 AW, 08/6107 AW en 08/6108 AW



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op de hoger beroepen van:


[appellant], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 oktober 2007, 06/7886 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 september 2008, 07/3852 en volgende, voor zover het betreft de gedingen 07/4001, 07/4799, 07/4801, 07/9792, 07/9393, 07/9345, 07/9346, 07/9347 en 07/9791 (hierna: aangevallen uitspraak 2)


in de gedingen tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: college)



Datum uitspraak: 3 december 2009



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het college heeft verweerschriften ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2009, waarbij de gedingen gevoegd zijn behandeld. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. van Arkel, advocaat te ’s-Gravenhage, en mr. E.M. van Paassen-Hendriks, drs. A.K. Westenbroek en E. Mulder, allen werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.



II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant was werkzaam als [functie 1] (functieschaal 10) bij het dienstonderdeel [naam dienstonderdeel] (hierna: [het dienstonderdeel]) van de dienst Onderwijs, Cultuur en Welzijn (hierna: OCW) van de gemeente ’s-Gravenhage. In 2005 is binnen de dienst OCW een reorganisatie in gang gezet waarbij een aantal financiële taken, die voorheen vielen onder het dienstonderdeel [het dienstonderdeel], zijn ondergebracht bij de verschillende afdelingen [naam afdeling] (hierna: [de afdeling]) van de diverse sectoren binnen de dienst OCW. In dit kader heeft het college appellant bij besluit van 2 mei 2006 met ingang van 1 maart 2006 geplaatst in de functie van [functie 2] (functieschaal 9) bij de afdeling [de afdeling] van de sector Stedelijk Onderwijs & Vastgoed.


1.2. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het college bij besluit van 23 augustus 2006 (hierna: plaatsingsbesluit) ongegrond verklaard, met dien verstande dat de datum van plaatsing is gesteld op 1 juni 2006. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat de functie van [functie 2], mede gezien artikel 3:4, tweede lid, van het Sociaal Beleidskader (hierna: SBK), voor appellant een passende functie is, dat appellant niet in aanmerking komt voor de functie van financieel medewerker I (functieschaal 10), omdat anderen met voorrang als functievolger in deze functie zijn geplaatst, en dat appellant evenmin in aanmerking komt voor de functie van [functie 3] (functieschaal 11) aangezien een andere herplaatsingskandidaat, gelet op zijn kennis en werkervaring, de voorkeur genoot.


1.3. Nadat appellant op 1 juni 2006 was begonnen in de functie van [functie 2], ontstond aan de zijde van het college toenemende ontevredenheid over de kwaliteit van de door appellant verrichte werkzaamheden en over zijn houding en gedrag. Dit heeft er onder meer toe geleid dat het college vanaf het einde van 2006 aan appellant een aantal disciplinaire straffen heeft opgelegd en een aantal ordemaatregelen heeft getroffen welke door appellant zijn bestreden. Uiteindelijk is aan appellant met ingang van 6 augustus 2007 strafontslag verleend wegens ernstig plichtsverzuim. In geding zijn thans nog de volgende besluiten.


1.3.1. Bij besluit van 14 december 2006 heeft het college aan appellant de disciplinaire straf van schriftelijke berisping opgelegd wegens het niet voldoen aan werkopdrachten. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het college bij besluit van 26 maart 2007 (hierna: disciplinaire straf 1) ongegrond verklaard.


1.3.2. Bij besluit van 19 januari 2007 heeft het college aan appellant de disciplinaire straf van schriftelijke berisping opgelegd wegens het ongeoorloofd opnemen van verlof op 1 december 2006. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het college bij besluit van 22 mei 2007 (hierna: disciplinaire straf 2) ongegrond verklaard.


1.3.3. Bij besluit van 19 januari 2007 is appellant in het belang van de dienst geschorst gedurende de periode 22 januari 2007 tot en met 16 februari 2007. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het college bij besluit van 21 mei 2007 (hierna: schorsingsbesluit 1) ongegrond verklaard.


1.3.4. Bij besluit van 28 juni 2007 heeft het college de bezoldiging van appellant ingehouden over de periode 7 juni 2007 tot en met 21 juni 2007 wegens ongeoorloofd verzuim. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het college bij besluit van 8 oktober 2007 (hierna: inhouding bezoldiging) ongegrond verklaard.


1.3.5. In verband met het voornemen om een disciplinaire straf op te leggen wegens zeer ernstig plichtsverzuim heeft het college bij besluit van 12 juli 2007 appellant opdracht gegeven medewerking te verlenen aan een op 16 juli 2007 te houden medisch/psychiatrisch onderzoek. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het college bij besluit van 8 oktober 2007 (hierna: dienstopdracht) ongegrond verklaard.


1.3.6. Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het college een beoordeling van het functioneren van appellant vastgesteld over de periode 1 juli 2006 tot 1 juni 2007, waarvan het eindresultaat onvoldoende luidt. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het college bij besluit van 12 november 2007 (hierna: beoordeling) ongegrond verklaard.


1.3.7. In verband met het voornemen om over te gaan tot strafontslag heeft het college bij besluiten van 19 juli 2007 appellant met onmiddellijke ingang geschorst met inhouding van zijn gehele bezoldiging en hem de toegang tot alle dienstgebouwen ontzegd. De bezwaren van appellant tegen deze besluiten heeft het college bij besluiten van 8 oktober 2007 en 12 november 2007 (hierna: schorsingsbesluit 2 en ontzegging toegang dienstgebouwen) ongegrond verklaard.


1.3.8. Bij besluit van 3 augustus 2007 heeft het college appellant wegens zeer ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Het bezwaar van appellant hiertegen heeft het college bij besluit van 12 november 2007 (hierna: strafontslag) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen het onder 1.2 genoemde plaatsingsbesluit ongegrond verklaard.


3. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 2 de beroepen tegen de onder 1.3.1 tot en met 1.3.8 genoemde besluiten op bezwaar ongegrond verklaard.


4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.


5. Aangevallen uitspraak 1.


5.1. In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de functie van [functie 3] voor hem een passende functie is en dat hij ten onrechte niet voor deze functie in aanmerking is gebracht. Hierbij heeft appellant er onder meer op gewezen dat hij de aan deze functie verbonden werkzaamheden in de praktijk al grotendeels verrichtte en dat eventueel benodigde scholing binnen een jaar door hem zou kunnen zijn afgerond. Verder heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het college ten onrechte voorbij is gegaan aan hetgeen in dit verband is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 25 mei 2007, opgesteld naar aanleiding van mediation.


5.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant is geplaatst in een passende functie, dat de functie van [functie 3] geen gelijke functie is in de zin van het SBK en dat appellant niet in aanmerking kwam voor plaatsing in die functie. Wat betreft de mediation heeft het college erop gewezen dat deze was gericht op verbetering van de verstandhouding tussen appellant en zijn leidinggevende W en dat appellant aan de desbetreffende vaststellingsovereenkomst geen aanspraak kan ontlenen op plaatsing in de functie van [functie 3].


5.3. De Raad overweegt als volgt.


5.3.1. Gelet op de beschikbare functiebeschrijvingen stelt de Raad vast dat de functie van [functie 3] een wezenlijk zwaardere functie is dan de functie van [functie 1] die appellant tot 1 juni 2006 vervulde. Hierbij wijst de Raad erop dat de functie van [functie 3], anders dan de functie van [functie 1], ten aanzien van het hoofd [de afdeling]/sectordirecteur een adviserende taak en ook coördinerende taken omvat. Ter zitting van de Raad is van de zijde van het college verklaard dat in de functie van [functie 3] een andere herplaatsingskandidaat is benoemd die al een functie in functieschaal 11 had vervuld en die, anders dan appellant, geen om- of bijscholing nodig had. Verder is de Raad met het college van oordeel dat appellant aan de door hem aangehaalde vaststellingsovereenkomst, gezien haar aard en strekking, geen aanspraak kan ontlenen op plaatsing in de functie van [functie 3]. Gelet op een en ander acht de Raad de beslissing om appellant niet in deze functie te plaatsen niet rechtens onhoudbaar.


5.3.2. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt niet, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.


6. Aangevallen uitspraak 2.


6.1. In de eerste plaats stelt de Raad vast dat appellant geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het onderdeel van aangevallen uitspraak 2 met betrekking tot geding 07/4002 AW. Hetgeen appellant hierover ter zitting van de Raad naar voren heeft gebracht, moet dan ook onbesproken blijven.


6.2. Disciplinaire straffen 1 en 2, schorsingsbesluit 1, inhouding bezoldiging, dienstopdracht, beoordeling, schorsingsbesluit 2 en ontzegging toegang dienstgebouwen.


6.2.1. De Raad verenigt zich met de oordelen van de rechtbank over deze besluiten en onderschrijft volledig de uitvoerige overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot deze oordelen is gekomen. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, voegt de Raad met betrekking tot een aantal besluiten daaraan nog het volgende toe.


6.2.2. Wat betreft disciplinaire straf 2 wijst de Raad erop dat uit de e-mail van W van 1 december 2006 blijkt dat zij de dag ervoor, dus op 30 november 2006, mondeling toestemming heeft geweigerd voor het opnemen van verlof op 1 december 2006. De stelling van appellant dat hem pas op 1 december 2006 is meegedeeld dat hij die dag geen verlof mocht opnemen, is dus niet juist.


6.2.3. Schorsingsbesluit 1 is genomen als ordemaatregel en was erop gericht om te voorkomen dat het opstellen van de jaarrekening over 2006 vertraging zou oplopen. De Raad is van oordeel dat de grief van appellant dat na 25 januari 2007 geen werkzaamheden meer aan de jaarrekening behoefden te worden verricht omdat op die datum het boekjaar 2006 is afgesloten, voldoende is weerlegd door de juist te achten constatering van het college dat pas na de afsluiting van het boekjaar met het opstellen van de jaarrekening kon worden begonnen.


6.2.4. Tegen de inhouding van de bezoldiging heeft appellant nog naar voren gebracht dat zijn ziekmelding van 4 juni 2007 ten onrechte niet in behandeling is genomen. De Raad wijst er echter op dat de bedrijfsarts appellant per 4 juni 2007 geschikt heeft geacht voor zijn werkzaamheden en dat hij tegen dit oordeel niet is opgekomen door een deskundigenoordeel aan te vragen.


6.2.5. Inzake de beoordeling wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak (CRvB 25 april 2007, LJN BA5298 en TAR 2007, 173), waaruit blijkt dat de belastende omstandigheden hooguit invloed kunnen hebben op de aan de beoordeling te verbinden rechtspositionele gevolgen, maar niet kunnen leiden tot hogere scores dan op grond van het feitelijk functioneren gerechtvaardigd is. Verder wijst de Raad erop dat appellant, gezien het oordeel over aangevallen uitspraak 1, per 1 juni 2006 in een passende functie is geplaatst en dat zijn onvrede over deze plaatsing geenszins een vrijbrief kon vormen om - zoals werd vastgesteld - onvoldoende inzet te vertonen.


6.3. Strafontslag.


6.3.1. Aan het strafontslag is ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 22 juni 2007 heeft geweigerd om bepaalde werkopdrachten (correct) uit te voeren, dat hij van 11 tot en met 13 juli 2007 ongeoorloofd heeft verzuimd, dat hij op 16 juli 2007, ondanks de gegeven dienstopdracht, niet bij de bedrijfsarts is verschenen en dat hij hieraan voorafgaande de bedrijfsarts, in strijd met de waarheid, had gemeld dat zijn leidinggevende hiermee akkoord ging.


6.3.2. De Raad stelt, gezien de stukken en het verhandelde ter zitting van de Raad, vast dat appellant zich bij het uitvoeren van de opdracht om een begroting te maken zeer onwelwillend heeft opgesteld. W mocht ervan uitgaan dat appellant, gezien de bij zijn functie behorende expertise, zelfstandig een nadere uitwerking zou geven aan de door W verstrekte (eerste) opzet. Door dit na te laten heeft appellant deze werkopdracht niet naar behoren uitgevoerd.

Uit de stukken blijkt niet dat appellant er van mocht uitgaan dat hij van 11 tot en met 13 juli 2007 niet op het werk hoefde te verschijnen. Dat appellant op basis van een voorgenomen maar niet doorgezette schorsing per 16 juli 2007 ten onrechte heeft aangenomen dat hij (ook) van 11 tot en met 13 juli 2006 niet hoefde te verschijnen, moet voor zijn risico komen.

Gezien het onder 6.2.1 gegeven oordeel over de dienstopdracht was appellant verplicht op 16 juli 2007 bij de bedrijfsarts te verschijnen. De bedrijfsarts heeft gerapporteerd dat appellant heeft afgezegd en hierbij bij herhaling heeft aangegeven dat dit was overlegd met de leidinggevende en dat deze hiermee akkoord ging. De Raad stelt vast dat uit de overige stukken niet blijkt van een dergelijke toestemming. Aan de door appellant eerst ter zitting van de Raad hierover gegeven nieuwe uitleg gaat de Raad voorbij nu deze in de stukken geen steun vindt.


6.3.3. Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen en dat deze zeer ernstig plichtsverzuim opleveren. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat het plichtsverzuim appellant niet is toe te rekenen. Hierbij wijst de Raad erop dat appellant niet heeft voldaan aan de dienstopdracht, die erop was gericht te onderzoeken of de gedragingen van appellant een medische oorzaak hadden. Het college was derhalve bevoegd om appellant disciplinair te bestraffen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de opgelegde disciplinaire straf van ongevraagd ontslag, mede gezien de eerder opgelegde disciplinaire straffen, niet onevenredig is aan het verweten plichtsverzuim.


7. Uit al hetgeen onder 6.2 tot en met 6.3.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 geen doel treft, zodat ook deze uitspraak moet worden bevestigd.


8. De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraken.



Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en A.J. Schaap en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2009.



(get.) J.G. Treffers.



(get.) M.C.T.M. Sonderegger.




HD

s