Centrale Raad van Beroep, 29-12-2009 / 08-460 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BK8402

Inhoudsindicatie
Verlaging bijstand over de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 november 2006 met 50%. De Raad stelt allereerst vast dat de rechtbank met juistheid heeft geconcludeerd dat het College de juridische grondslag van de verlaging heeft gebaseerd op artikel 8, aanhef en derde lid onder b, in samenhang met artikel 9, aanhef en onder c, van de op artikel 8, aanhef en onder b, van de WWB gebaseerde Afstemmingsverordening. Verzuim volgen van traject bij Joblink. Dat appellant, zoals hij stelt, vanwege lichamelijke en psychische beperkingen niet in staat zou zijn het traject bij Joblink te volgen is door hem ook in hoger beroep op geen enkele wijze onderbouwd. Geen benoeming medische deskundige. De Raad is, in aanmerking genomen hetgeen appellant heeft aangevoerd, niet gebleken dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van appellant het College aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening de hoogte of de duur van de verlaging lager vast te stellen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad voorts geen dringende redenen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Afstemmingsverordening, zodat het College niet bevoegd was ten gunste van appellant van de bepalingen van de verordening af te wijken. Afwijzing schadevergoeding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-29
Publicatiedatum
2010-01-07
Zaaknummer
08-460 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/460 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk), (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 december 2007, 07/422 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond (hierna: College)


Datum uitspraak: 29 december 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft H.J.A. Aerts, werkzaam op het kantoor van Delescen Advocaten, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 6 oktober 2009, waar partijen niet zijn verschenen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Aan appellant is met ingang van 3 september 2001 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolgde de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2. Op 26 juli 2005 is appellant gestart met een traject bij Joblink gericht op

arbeidsre-integratie. Op 16 februari 2006 heeft appellant zich ziek gemeld. Op

17 februari 2006 heeft een verzekeringsarts de actuele belastbaarheid van appellant beoordeeld. Daarbij is vastgesteld dat appellant in staat is tot het verrichten van duurzame loonvormende arbeid, waarbij hij is aangewezen op weinig stresserende en kniesparende arbeid. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 februari 2006. Bij schrijven van 13 april 2006 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat appellant met ingang van die datum arbeidsgeschikt is voor het werk bij Joblink.


1.3. Bij besluit van 27 april 2006 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 juni 2006 gedurende één maand met 35% verlaagd omdat hij zonder geldige reden het traject bij Joblink nog niet heeft hervat. Dit besluit is door de uitspraak van de Raad van 15 april 2008 in procedure 07/1234 in rechte komen vast te staan.


1.4. Bij besluit van 1 september 2006 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 november 2006 met 50% verlaagd.


1.5. Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 1 september 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat in augustus 2006 bleek dat appellant het traject bij Joblink nog steeds niet had hervat en dat hij ook niet bereid was om dit traject te hervatten. Voorts heeft het College overwogen dat er sprake is van recidive.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 februari 2007 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De Raad stelt allereerst vast dat de rechtbank met juistheid heeft geconcludeerd dat het College de juridische grondslag van de verlaging heeft gebaseerd op artikel 8, aanhef en derde lid onder b, in samenhang met artikel 9, aanhef en onder c, van de op artikel 8, aanhef en onder b, van de WWB gebaseerde Afstemmingsverordening.


4.2. Vaststaat dat appellant in augustus 2006 nog steeds heeft verzuimd het traject bij Joblink te hervatten en ook niet bereid was om dit traject te hervatten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College terecht heeft geconcludeerd dat appellant geen geldige reden had voor dit verzuim. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en verwijst daar naar. Dat appellant, zoals hij stelt, vanwege lichamelijke en psychische beperkingen niet in staat zou zijn het traject bij Joblink te volgen is door hem ook in hoger beroep op geen enkele wijze onderbouwd. De Raad ziet, gelet op de in het dossier aanwezige medische stukken, ook geen aanknopingspunten om het verzoek van appellant om een medisch deskundige te benoemen te honoreren.


4.3. Door te weigeren het traject bij Joblink te hervatten heeft appellant gehandeld in strijd met de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende verplichting om gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening gericht op de arbeidsinschakeling. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand te verlagen. Het gaat hier om een gedraging van de derde categorie als bedoeld in artikel 8, aanhef en derde lid onder b, van de Afstemmingsverordening. Op grond van artikel 9, aanhef en onder c, van de Afstemmingsverordening wordt in dat geval de bijstand verlaagd met 50% gedurende een maand. Op grond van artikel 6, vierde lid, van de Afstemmingsverordening wordt de termijn van de verlaging verdubbeld in het geval er binnen twaalf maanden opnieuw sprake is van het verwijtbaar niet nakomen van de verplichtingen. De Raad stelt vast dat de opgelegde verlaging met voornoemde bepalingen in overeenstemming is.


4.4. De Raad is, in aanmerking genomen hetgeen appellant heeft aangevoerd, niet gebleken dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van appellant het College aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening de hoogte of de duur van de verlaging lager vast te stellen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad voorts geen dringende redenen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Afstemmingsverordening, zodat het

College niet bevoegd was ten gunste van appellant van de bepalingen van de verordening af te wijken.


4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit tevens voort dat het verzoek om het College te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente dient te worden afgewezen.


6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2009.


(get.) R.C. Schoemaker.


(get.) M.C.T.M. Sonderegger.


mm