Centrale Raad van Beroep, 15-12-2009 / 08-2709 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BK8418

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand in de kosten van verhuizing. In het kader van de behandeling van haar beroep bij de rechtbank is gebleken dat appellante bij de Gkb een aanvraag om een lening heeft ingediend. Die aanvraag kon blijkens een brief van 13 september 2006 van de Gkb niet verder worden behandeld omdat appellante niet kon/wilde voldoen aan de gestelde voorwaarden die noodzakelijk zijn om tot kredietverstrekking over te kunnen gaan. Door het College is onweersproken gesteld dat de kredietaanvraag van appellante door de Gkb niet in behandeling is genomen omdat appellante over een auto beschikt en daarvan geen afstand wil doen. Naar het oordeel van de Raad zijn appellante en/of haar kinderen niet om medische redenen op een auto aangewezen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-15
Publicatiedatum
2010-01-07
Zaaknummer
08-2709 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/2709 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 maart 2008, 07/1454 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)


Datum uitspraak: 15 december 2009

I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. H. Polat-Kiliç, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2009. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Polat-Kiliç. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante ontvangt in aanvulling op een arbeidsongeschiktheidsuitkering bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2. Als gevolg van problemen met haar buren in verband met geluidsoverlast is appellante eind 2006 verhuisd van het adres [adres] te [plaatsnaam] naar het adres [adres], eveneens te [plaatsnaam]. Zij heeft op 19 september 2006 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de verhuiskosten. Bij besluit van 28 september 2006 is die aanvraag afgewezen. Bij besluit van 8 januari 2007 is het tegen het besluit van 28 september 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Overwogen is dat appellante, omdat zij geen aantoonbare schulden heeft, een beroep had moeten doen op een voorliggende voorziening in de vorm van een geldlening bij de Gemeentelijke kredietbank (Gkb). Voorts is overwogen dat sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid waardoor niet aan de beoordeling van het recht op bijstand wordt toegekomen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 januari 2007 ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder f, van de WWB wordt onder een voorliggende voorziening verstaan elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan kredietverlening door de Gkb worden aangemerkt als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder f, van de WWB.


4.2. Het College heeft bij het besluit van 8 januari 2007 de afwijzing van de aanvraag van appellante van 19 september 2006 gehandhaafd, waarbij onder verwijzing naar artikel 15 van de WWB is gesteld dat appellante een beroep had moeten doen op een voorliggende voorziening in de vorm van een geldlening bij de Gkb. In het kader van de behandeling van haar beroep bij de rechtbank is gebleken dat appellante bij de Gkb een aanvraag om een lening heeft ingediend. Die aanvraag kon blijkens een brief van 13 september 2006 van de Gkb niet verder worden behandeld omdat appellante niet kon/wilde voldoen aan de gestelde voorwaarden die noodzakelijk zijn om tot kredietverstrekking over te kunnen gaan. Door het College is onweersproken gesteld dat de kredietaanvraag van appellante door de Gkb niet in behandeling is genomen omdat appellante over een auto beschikt en daarvan geen afstand wil doen. Door de Gkb wordt geen krediet verstrekt aan een betrokkene die bijstand ontvangt en een auto heeft.


4.3. Appellante heeft betoogd dat een auto voor haar medisch noodzakelijk is, maar zij heeft die stelling naar het oordeel van de Raad onvoldoende aannemelijk gemaakt. In het kader van de destijds van toepassing zijnde Wet voorzieningen gehandicapten is geen besluit genomen waaruit volgt dat een auto voor appellante medisch noodzakelijk is. Ook uit de verklaring van 21 december 2007 van de huisarts van appellante blijkt naar het oordeel van de Raad niet dat appellante en/of haar kinderen om medische redenen op een auto zijn aangewezen.


4.4. De WWB vervult in het stelsel van sociale zekerheid een sluitstukfunctie en is complementair ten opzichte van voorliggende voorzieningen. Bezien vanuit het oogpunt van de WWB had van appellante verwacht mogen worden dat zij ten volle een beroep had gedaan op een voorliggende voorziening in de vorm van een lening bij de Gkb en zou hebben voldaan aan de haar door de Gkb gestelde voorwaarde om haar aanvraag om een lening voor de kosten van haar verhuizing in behandeling te doen nemen. Nu appellante om haar moverende redenen daarvan heeft afgezien, moet eventuele onzekerheid over de vraag of haar door de Gkb een lening zou zijn verstrekt en of de lening voldoende zou zijn geweest om de kosten van de verhuizing volledig te betalen, voor haar risico worden gelaten. Het vorenstaande betekent dat artikel 15, eerste lid, van de WWB in de weg staat aan het verlenen van bijzondere bijstand aan appellante voor de kosten van de onderhavige verhuizing. Aangezien voorts niet is gebleken van het bestaan van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB is de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand in de kosten van verhuizing terecht afgewezen.


4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.



mm