Centrale Raad van Beroep, 24-12-2009 / 08-2640 WVG


ECLI:NL:CRVB:2009:BK8429

Inhoudsindicatie
De Raad heeft in aanmerking genomen dat het een te respecteren belang van het bestuursorgaan is dat het zich er in de regel eerst van moet kunnen vergewissen of in de te verlaten of de te betrekken woning al dan niet sprake is van belemmeringen in het normale gebruik van de woning. Het College heeft naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat zodanige omstandigheden zich in het onderhavige geval niet voordoen. Op grond van de stukken, met name de rapportage van de GGD van 21 december 2006, stelt de Raad vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant ten gevolge van ziekte of gebrek relevante belemmeringen ondervond in het normale gebruik van de woonruimte aan het [adres 1] te [plaatsnaam] en dat verhuizing naar een adequate woning noodzakelijk was. De woning aan de [adres 2] te [plaatsnaam] heeft appellant verkregen op basis van een medische urgentieverklaring. Uit het medisch advies van 20 april 2006, dat daaraan ten grondslag ligt, blijkt dat appellant is aangewezen op een andere, rustige woning, waarbij een enkele trap geen probleem is. In de rapportage van de GGD van 21 december 2006 wordt de woning aan de [adres 2] voor appellant geschikt bevonden. Het door artikel 1.3, derde lid, aanhef en onder a, van de verordening gewaarborgde belang van het College kon in de omstandigheden van dit geval redelijkerwijs niet gediend zijn met een strikte toepassing van die bepaling. Vernietiging uitspraak. Nieuw besluit op bezwaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-24
Publicatiedatum
2010-01-08
Zaaknummer
08-2640 WVG
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/2640 WVG


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


UITSPRAAK


op het hoger beroep van


[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 maart 2008, 07/2144 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)


Datum uitspraak: 24 december 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2009. Voor appellant is mr. De Jong verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant heeft ten gevolge van een ongeval in 2001 hersenletsel opgelopen. Als gevolg hiervan ondervindt hij cognitieve beperkingen. Voorts is sprake van mobiliteitsproblemen in zijn linkerheup en -enkel en in zijn rechterschouder. Hierdoor ondervindt appellant problemen bij onder meer het (trap)lopen.


1.2. Op 19 september 2006 is appellant verhuisd vanuit een studentenkamer aan het [adres 1] in [plaatsnaam], waar hij vanaf 2005 woonde, naar een woning op het adres [adres 2] te [plaatsnaam]. Het betreft een appartement op de eerste etage zonder lift. In verband met deze verhuizing heeft appellant op 27 september 2006 bij het College in het kader van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) een aanvraag om onder meer een vergoeding in verhuis- en inrichtingskosten ingediend.


1.3. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst van de gemeente Utrecht (hierna: GGD) desgevraagd op 21 december 2006 een medisch advies uitgebracht. Geconcludeerd is onder meer dat appellant problemen ondervond met de smalle trap van de vorige woning. Verder verdraagt appellant slecht prikkels en heeft hij veel structuur en rust nodig om zijn dag goed in te delen. In de vorige woning was daar geen sprake van. Door het lawaai en overlast kon appellant niet aan zijn herstel werken en zijn leven organiseren. De woonomgeving belemmerde hem in zijn functioneren. De GGD-arts adviseert positief voor een verhuiskostenvergoeding bij een verhuizing naar een rustige omgeving, waarbij de woning ten hoogste op de eerste verdieping mag zijn gelegen.


1.4. Het College heeft de aanvraag bij besluit van 25 januari 2007 afgewezen op onder meer de grond dat er geen rechtstreeks oorzakelijk verband is tussen de overgevoeligheid van appellant en de bouwkundige of woontechnische kenmerken van de woning aan het [adres 1].


1.5. Namens appellant heeft mr. De Jong bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om vergoeding van de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.


1.6. Bij besluit van 27 juni 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat wel sprake was van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de door appellant ondervonden belemmeringen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de woning aan het [adres 1], maar dat appellant zich bij de aanvaarding van die woning zich zijn medische problematiek had moeten realiseren. Voorts bewoont hij op zijn huidige adres voor het eerst een zelfstandige woonruimte, zodat niet van herinrichtingskosten kan worden gesproken.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 juni 2007 - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd, en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant de onderhavige aanvraag eerst na de verhuizing heeft ingediend, zodat de gevraagde voorziening ingevolge artikel 1.3, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Utrecht 2004 (hierna: Verordening) moet worden geweigerd.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 27 juni 2007 in stand zijn gelaten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Met ingang van 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in werking getreden en is de Wvg ingetrokken. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wmo blijft de Wvg evenwel van toepassing op een aanvraag om (onder meer) een woonvoorziening tot drie maanden nadat de gemeenteraad de in artikel 5 van deze wet bedoelde verordening heeft vastgesteld, doch uiterlijk tot een jaar na inwerkingtreding van deze wet. Aangezien bedoelde verordening op 7 december 2006 door de gemeenteraad van Utrecht is vastgesteld en pas op 1 april 2007 in werking is getreden, en de aanvraag van appellant dateert van 27 september 2006, is in dit geval de Wvg van toepassing gebleven.


4.2. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders zorg draagt voor de verlening van onder meer woonvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg moeten deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht, zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat de gemeenteraad met inachtneming van hetgeen bij en krachtens de Wvg is bepaald, bij verordening regels dient vast te stellen.


4.3.1. Ter uitvoering van de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg neergelegde opdracht heeft de raad van de gemeente Utrecht de Verordening vastgesteld.


4.3.2. Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening bepaalt dat de door burgemeester en wethouders te verlenen woonvoorziening kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en inrichting.


4.3.3. Ingevolge artikel 1.3, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening wordt de voorziening geweigerd indien en voor zover de kosten zijn gemaakt vóór de datum van het besluit.

Blijkens de toelichting bij deze bepaling betreft dit artikel de voorwaarde waarmee burgemeester en wethouders vast kunnen stellen of een voorziening al dan niet noodzakelijk dan wel adequaat is. Als een cliënt een woningaanpassing vraagt en gedurende de beslistermijn al aanpassingswerkzaamheden laat uitvoeren, kan die vaststelling in het gedrang komen.


4.4.1. Volgens vaste jurisprudentie van deze Raad staat het een gemeentebestuur vrij om een imperatief gestelde bepaling als artikel 1.3, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening in een op de uitvoering van de Wvg betrekking hebbende verordening op te nemen zonder daarbij in strijd te komen met regels van geschreven of ongeschreven recht. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat het een te respecteren belang van het bestuursorgaan is dat het zich er in de regel eerst van moet kunnen vergewissen of in de te verlaten of de te betrekken woning al dan niet sprake is van belemmeringen in het normale gebruik van de woning.


4.4.2. In die jurisprudentie ligt evenwel ook besloten dat toepassing van een bepaling als - in het onderhavige geval - artikel 1.3, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening geen automatisme mag zijn en dat het bestuursorgaan zich in voorkomend geval ervan dient te vergewissen of sprake is van bijzondere omstandigheden die aan onverkorte toepassing ervan in de weg kunnen staan. Verwezen wordt naar de uitspraken van 21 oktober 2003 (LJN AM5458) en van 3 december 2008 (LJN BG7125).


4.4.3. Het College heeft naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat zodanige omstandigheden zich in het onderhavige geval niet voordoen. Op grond van de stukken, met name de rapportage van de GGD van 21 december 2006, stelt de Raad vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant ten gevolge van ziekte of gebrek relevante belemmeringen ondervond in het normale gebruik van de woonruimte aan het [adres 1] te [plaatsnaam] en dat verhuizing naar een adequate woning noodzakelijk was. De woning aan de [adres 2] te [plaatsnaam] heeft appellant verkregen op basis van een medische urgentieverklaring. Uit het medisch advies van 20 april 2006, dat daaraan ten grondslag ligt, blijkt dat appellant is aangewezen op een andere, rustige woning, waarbij een enkele trap geen probleem is. In de rapportage van de GGD van 21 december 2006 wordt de woning aan de [adres 2] voor appellant geschikt bevonden. Het door artikel 1.3, derde lid, aanhef en onder a, van de verordening gewaarborgde belang van het College kon in de omstandigheden van dit geval redelijkerwijs niet gediend zijn met een strikte toepassing van die bepaling.


4.5. Hieruit volgt dat het besluit van 27 juni 2007 zich niet verdraagt met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Dit betekent, dat het hoger beroep gegrond is en dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. In zoverre komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Het College dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad. Daarbij dient ook te worden beslist op het verzoek van appellant om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente en om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.


4.6. De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het College binnen zes weken na heden een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2009.



(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.



(get.) J. Waasdorp.


NK