Centrale Raad van Beroep, 18-01-2011 / 09-942 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BP1627

Inhoudsindicatie
Bruikbaarheid onderzoeksresultaten na onrechtmatig huisbezoek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-01-18
Publicatiedatum
2011-01-21
Zaaknummer
09-942 WWB
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2011/81
  • JWWB 2011/71
  • NJB 2011, 376
  • USZ 2011/60
Uitspraak

09/942 WWB

09/944 WWB



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op de hoger beroepen van:


[appellante] (hierna: appellante) en [appellant] (hierna: appellant), beiden wonende te Lelystad,


tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 januari 2009, 07/2022 en 07/2023 (hierna: aangevallen uitspraken),


in de gedingen tussen:


appellanten


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad (hierna: College)



Datum uitspraak: 18 januari 2011



I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. P.A.J. van Putten, advocaat te Almere, hoger beroepen ingesteld.


Het College heeft verweerschriften ingediend.


Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 7 december 2010. Daarbij zijn de zaken ter behandeling gevoegd. Voor appellanten is verschenen mr. Van Putten. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Meester, werkzaam bij de gemeente Lelystad.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). De bijstand is bij besluit van het College van 31 januari 2007 beëindigd met ingang van 1 februari 2007, op de grond dat appellante beschikt over voldoende inkomsten uit arbeid.


1.2. Naar aanleiding van vele, merendeels anonieme tips dat appellante een relatie heeft met een man en dat deze man geregeld op het adres van appellante verblijft, heeft de afdeling sociale zaken van de gemeente Lelystad (hierna: SZ) een zogenoemd handhavingsonderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader zijn in de eerste plaats in de periode van 15 augustus 2006 tot en met 8 februari 2007 op 26 dagen op verschillende tijdstippen waarnemingen bij het woonadres van appellante verricht. Voorts is op 2 februari 2007 vanwege SZ een onaangekondigd huisbezoek afgelegd bij appellante en heeft op die datum op het kantoor van SZ een gesprek met appellante plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek is een vervolgafspraak gemaakt voor een nader gesprek. Dat gesprek tussen appellante en twee medewerkers van SZ heeft plaatsgevonden op 13 februari 2007. Daarbij was ook de raadsman van appellante aanwezig. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van SZ van 8 maart 2007.


1.3. Bij besluit van 5 april 2007 heeft het College naar aanleiding van het hiervoor vermelde rapport de bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2006 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante in die periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft het College de over de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 januari 2007 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 9.609,98. Bij besluit van 11 mei 2007 heeft het College deze kosten mede van appellant teruggevorderd.


1.4. Bij besluit van 16 oktober 2007 heeft het College de door appellante tegen de besluiten van 5 april 2007 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk besluit van 16 oktober 2007 heeft het College het door appellant tegen het besluit van 11 mei 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 16 oktober 2007 ongegrond verklaard. In de ten aanzien van appellante gegeven uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het op 2 februari 2007 afgelegde huisbezoek onrechtmatig is omdat de bijstandsverlening aan appellante op dat moment al was beëindigd en voor appellante toen dus geen inlichtingen- en medewerkingsverplichting meer gold. De rechtbank heeft evenwel voor het overige een toereikende grondslag aanwezig geacht voor het standpunt van het College dat appellanten in de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.


3. Appellante en appellant hebben zich in hoger beroep ieder afzonderlijk, op de hierna te bespreken gronden, tegen de jegens hen gegeven uitspraak gekeerd. Appellant heeft in zijn hoger beroepschrift meegedeeld dat de door appellante naar voren gebrachte beroepsgronden als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd voor zover zij op hem mede van toepassing zijn.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Nu het College niet in hoger beroep is gekomen moet er in deze gedingen van worden uitgegaan dat het op 2 februari 2007 bij appellante afgelegde huisbezoek onrechtmatig is en dat de bevindingen van het huisbezoek door het College niet als bewijsmateriaal mogen worden gebruikt. Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank de door appellante op 2 en 13 februari 2007 afgelegde verklaringen ten onrechte wel als bewijs heeft toegelaten, aangezien deze verklaringen berusten en voortborduren op het onrechtmatige huisbezoek. Als deze verklaringen als bewijs wegvallen, resteert volgens appellanten onvoldoende bewijs voor het voeren van een gezamenlijke huishouding.


4.2. De Raad heeft al eerder overwogen, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 24 november 2009, LJN BK4059, dat geen rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel zich ertegen verzet dat na een onrechtmatig huisbezoek een nader onderzoek wordt ingesteld naar de rechtmatigheid van verleende of nog te verlenen bijstand en dat de bevindingen van een dergelijk onderzoek bij de beoordeling van het recht op bijstand worden betrokken. Dit wordt eerst anders indien gezegd moet worden dat het bestuursorgaan in redelijkheid geen gebruik kan maken van de bevoegdheid tot het instellen van een nader onderzoek of van de daardoor verkregen onderzoeksresultaten, gelet op de wijze waarop dat in het concrete geval is gebeurd. In het midden kan blijven of het College in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de resultaten van het gesprek dat op 2 februari 2007 in onmiddellijke aansluiting op het huisbezoek heeft plaatsgevonden, in verband met het volgende.


4.3. Naar het oordeel van de Raad doet de hiervoor bedoelde uitzonderingssituatie zich in het onderhavige geval wat betreft de op 13 februari 2007 door appellante afgelegde verklaring niet voor. Daartoe overweegt de Raad het volgende. Het handhavingsonderzoek is gestart naar aanleiding van diverse tips over mogelijke samenwoning van appellante met een andere persoon. Er zijn vervolgens diverse waarnemingen bij de woning van appellante verricht. Het resultaat van die waarnemingen rechtvaardigt op zichzelf al dat nader onderzoek werd ingesteld, waaronder begrepen dat appellante daarover zou worden gehoord. De Raad neemt verder in aanmerking het tijdsverloop tussen de datum waarop het huisbezoek is afgelegd en 13 februari 2007, de datum waarop appellante nader is gehoord. Met betrekking tot dat horen is met appellante een afspraak gemaakt op 2 februari 2007, zodat appellante zich op dat gesprek heeft kunnen voorbereiden. Ten slotte neemt de Raad in aanmerking dat het gesprek met appellante op 13 februari 2007 werd gevoerd in aanwezigheid van haar advocaat. De Raad volgt, gelet op het voorgaande, appellanten dan ook niet in hun standpunt dat het resultaat van dit gesprek als een - verboden - vrucht van het huisbezoek van 2 februari 2007 buiten beschouwing moet worden gelaten.


4.4. Appellanten hebben verder aangevoerd dat geen sprake is van een authentieke, door appellante ondertekende verklaring. Uit de gedingstukken blijkt dat in de bezwaarfase en - aanvankelijk - ook in de beroepsfase van het op 13 februari 2007 gevoerde gesprek uitsluitend een door de twee betrokken medewerkers van SZ ondertekend, niet op ambtseed opgemaakt verslag van 8 maart 2007 voorhanden was. Dat verslag bevat een weergave van de door die medewerkers gestelde vragen en de daarop door appellante gegeven antwoorden. In beroep heeft het College een cd-rom, bevattende een geluidsopname van het op 13 februari 2007 gevoerde gesprek, aan de rechtbank gezonden. De cd-rom is aan appellanten doorgezonden, waarbij de gelegenheid is geboden voor het maken van opmerkingen. Appellante heeft derhalve in de bezwaarfase opmerkingen over het verslag kunnen maken en zij heeft in de beroepsfase tevens kunnen verifiëren of de geluidsopname en het schriftelijke verslag met elkaar spoorden. Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellante niet betwist dat de schriftelijke weergave van het gesprek overeenkomt met hetgeen appellante volgens de opname van het gesprek heeft verklaard. Gelet daarop, is thans niet meer van belang dat appellante het verslag van het gesprek destijds niet heeft ondertekend dan wel dat het niet op ambtseed is opgemaakt. De op de status van het verslag van het gesprek als zodanig betrekking hebbende beroepsgronden treffen dan ook geen doel.


4.5. Uitgaande van de verklaring van appellante van 13 februari 2007 is de Raad evenals het College en de rechtbank van oordeel dat aan de criteria voor het voeren van een gezamenlijke huishouding, te weten het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning en de wederzijdse zorg, is voldaan. De Raad verwijst daartoe kortheidshalve naar de op appellante betrekking hebben uitspraak van de rechtbank, waarin de relevante onderdelen van de verklaring samengevat zijn weergegeven. Wat betreft gedeelten van de in geding zijnde periode kan voorts ondersteunend bewijs worden gevonden in het resultaat van de bij de woning van appellante verrichte waarnemingen. Van de zijde van appellanten is ter zitting van de Raad overigens opgemerkt dat, indien de verklaring van appellante van

13 februari 2007 als bewijs zou mogen worden gebruikt, het College daarop het bestaan van een gezamenlijke huishouding van appellanten in de in geding zijnde periode zou hebben kunnen baseren.


4.6. Appellante heeft aan het College geen mededeling gedaan van het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant. Het College was derhalve bevoegd de bijstand vanaf 1 juni 2006 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB in te trekken. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van intrekking gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van deze beleidsregels had moeten afwijken.


4.7. Met betrekking tot de (uitoefening van de) bevoegdheid van het College tot terugvordering van appellante van de over de in geding zijnde periode gemaakte kosten van bijstand als zodanig zijn geen zelfstandige beroepsgronden naar voren gebracht. Het standpunt van appellante dat het College met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht van zijn beleidsregels ter zake van terugvordering had moeten afwijken in verband met mogelijk negatieve gevolgen daarvan voor de lopende schuldsaneringsregeling van appellante, is ter zitting van de Raad niet langer gehandhaafd.


4.8. Gelet op het voorgaande en op de gedingstukken in beide zaken, is de Raad van oordeel dat tevens is voldaan aan de vereisten voor medeterugvordering van appellant van de ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand, onder toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Met betrekking tot de gebruikmaking van deze bevoegdheid zijn geen zelfstandige beroepsgronden naar voren gebracht.


4.9. De rechtbank heeft in de ten aanzien van appellant gegeven uitspraak nog overwogen dat hetgeen in beroep naar voren is gebracht met betrekking tot de onderzoeksplicht van het College haar niet tot een ander oordeel heeft gebracht. Deze overweging ziet op het standpunt van appellant dat hij in de onderzoeksfase ten onrechte niet door SZ is gehoord. Appellant heeft dit standpunt in hoger beroep gehandhaafd. De Raad is van oordeel dat, zo hier van een onderzoeksgebrek moet worden gesproken, dat gebrek in de bezwaarfase als hersteld kan worden beschouwd. Appellant is zelf aanwezig geweest bij de op 17 september 2007 gehouden hoorzitting, bij welke gelegenheid hij heeft kunnen verklaren over zijn relatie met appellante en over het al dan niet bestaan van een gezamenlijke huishouding met haar. Door de gevoegde behandeling van zijn bezwaren met de bezwaren van appellante, is appellant tevens in de gelegenheid geweest een reactie te geven op de inhoud van het verslag van het gesprek met appellante op 13 februari 2007. Bij het nemen van het besluit op de bezwaren van appellant heeft het College het standpunt van appellant alsnog in zijn beoordeling kunnen betrekken.


4.10. De Raad komt tot de conclusie dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.


5. De Raad ziet in geen van beide zaken aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraken.


Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter, en R.H.M. Roelofs en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2011.



(get.) C. van Viegen.



(get.) R. Scheffer.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.





JvS