Centrale Raad van Beroep, 18-01-2011 / 08-6973 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BP2158

Inhoudsindicatie
Geldlening met een daaraan gekoppelde daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. De Raad heeft van belang geacht dat appellant steeds heeft verklaard dat hij de geleende bedragen diende terug te betalen en dat appellant de lening inmiddels feitelijk ook heeft afgelost, wat door het College niet is tegengesproken. Daarbij betrekt de Raad dat aannemelijk is geworden dat appellant deze lening heeft aangewend om in zijn levensonderhoud te voorzien in een periode waarin hij ten onrechte geen bijstand ontving als gevolg van het door het College onrechtmatig genomen besluit van 4 juli 2007. Hieruit volgt dat het College zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bedrag van € 1.200,-- niet als lening kan worden beschouwd, dat dit bedrag daardoor een vrij besteedbaar karakter had en dat appellant op die grond met ingang van 10 oktober 2007 geen recht op bijstand had. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-01-18
Publicatiedatum
2011-01-28
Zaaknummer
08-6973 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/6973 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2008, 08/813 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)


Datum uitspraak: 18 januari 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vermaat. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontving sinds 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 4 juli 2007 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 22 april 2007 ingetrokken. Bij besluit van 16 november 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 november 2008, 07/4655, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 16 november 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden in de zaak 08/6974 WWB (voor zover hier van belang) heeft de Raad deze uitspraak vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 november 2007 vernietigd en het besluit van 4 juli 2007 herroepen.


1.2. Naar aanleiding van een aanvraag van appellant van 24 oktober 2007 heeft het College bij besluit van 14 december 2007 aan appellant over de periode van 17 september 2007 tot en met 9 oktober 2007 bijstand toegekend.


1.3. Bij besluit van 20 februari 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 december 2007 ongegrond verklaard op de grond dat de in de maand oktober 2007 op zijn rekening gestorte bedragen van respectievelijk € 200,-- en € 1.200,-- moeten worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32 van de WWB, dat hij daarmee vanaf 10 oktober 2007 kan beschikken over een inkomen boven de bijstandsnorm en dat daarom geen recht op bijstand bestaat vanaf die datum.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 20 februari 2008 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het op de rekening van appellant gestorte bedrag van € 1.200,-- afkomstig is van zijn ex-echtgenote en bedoeld is om te voorzien in de kosten van levensonderhoud van appellant. Appellant stelt dat dit ook heeft te gelden voor het gestorte bedrag van € 200,--, hetgeen het College niet heeft gevolgd. Partijen worden voorts verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of het hier gaat om leningen.


4.2. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat het bedrag van € 1.200,-- als lening moet worden beschouwd gewezen op een bankafschrift van 9 november 2007 en een daarop vermeld - op 29 oktober 2007 gestort - bedrag van € 1.200,--, afkomstig van [d. J.] onder vermelding van ‘lening’. Tevens stelt hij dat hij de lening heeft afgelost, waartoe hij verwijst naar een rekeningafschrift waaruit blijkt dat van zijn bankrekening op 1 januari 2008 een bedrag van € 500,-- is overgemaakt aan [d. J.] te [naam gemeente], onder vermelding van ‘terugbetaling lening’.


4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen schulden in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving uitsluitend in aanmerking worden genomen indien het feitelijk bestaan ervan in voldoende mate aannemelijk is geworden en tevens komt vast te staan dat aan die schuld een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden.


4.4. Met het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de herkomst van de kasstorting van € 200,-- op de rekening van appellant niet is komen vast te staan en dat bovendien niet aannemelijk is gemaakt dat dit bedrag een geldlening betreft waaraan een reële terugbetalingverplichting is verbonden. Het bedrag van € 200,-- dient derhalve als inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB te worden aangemerkt en als zodanig te worden betrokken bij de beoordeling van de omvang van het recht op bijstand over het hier aan de orde zijnde gedeelte van de maand oktober 2007.


4.5. Anders dan het College en de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat - mede gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, verband houdend met de in zaak 08/6974 aan de orde zijnde kwestie - wel aannemelijk is dat het bedrag van € 1.200,-- een geldlening betreft met een daaraan gekoppelde daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. De Raad wijst in de eerste plaats op de in onderdeel 4.2 besproken gegevens. Tevens heeft de Raad van belang geacht dat appellant steeds heeft verklaard dat hij de geleende bedragen diende terug te betalen en dat appellant de lening inmiddels feitelijk ook heeft afgelost, wat door het College niet is tegengesproken. Daarbij betrekt de Raad dat aannemelijk is geworden dat appellant deze lening heeft aangewend om in zijn levensonderhoud te voorzien in een periode waarin hij ten onrechte geen bijstand ontving als gevolg van het door het College onrechtmatig genomen besluit van 4 juli 2007. Hieruit volgt dat het College zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bedrag van € 1.200,-- niet als lening kan worden beschouwd, dat dit bedrag daardoor een vrij besteedbaar karakter had en dat appellant op die grond met ingang van 10 oktober 2007 geen recht op bijstand had.


4.6. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 20 februari 2008 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.


5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden, rekening houdend met de reeds uitgesproken proceskostenveroordeling in zaak 08/6974 WWB, begroot op € 322,-- in beroep en

€ 322,-- in hoger beroep.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 20 februari 2008;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2011.


(get.) C. van Viegen.


(get.) N.M. van Gorkum.


HD