Centrale Raad van Beroep, 25-01-2011 / 09/4168 WIA + 09/4169 WAO + 09/5723 WAO


ECLI:NL:CRVB:2011:BP2199

Inhoudsindicatie
Verzoeken om herziening besluit (inhoudende weigering WAO-uitkering) terecht afgewezen. Geen sprake van een zogenoemde Amber-beoordeling, waarvoor een wachttijd van slechts vier geldt. Eerste arbeidsongeschiktheidsdag is juist vastgesteld. Dagloon terecht gebaseerd op de periode die loopt van 27 maart 2005 tot en met 26 maart 2006.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-01-25
Publicatiedatum
2011-01-28
Zaaknummer
09/4168 WIA + 09/4169 WAO + 09/5723 WAO
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/4168 WIA + 09/4169 WAO + 09/5723 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraken van de rechtbank Breda van 10 juni 2009, 07/4999 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 08/4050 (hierna: aangevallen uitspraak 2), en van 2 september 2009, 09/1043 (hierna: aangevallen uitspraak 3),


in de gedingen tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 25 januari 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. drs. C.G. Matze, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2010. Appellant was vertegenwoordigd door mr. drs. Matze, het Uwv door mr. M.W.L. Clemens.


II. OVERWEGINGEN


1. Voor een overzicht van de te dezen relevante feiten wijst de Raad naar de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3.


2. Met zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 18 oktober 2004 (inhoudende de weigering van een WAO-uitkering per 19 januari 2004, in aansluiting op het einde van de wachttijd van 52 weken, onder overweging dat hij geschikt is voor zijn - eigen - arbeid als conciërge) beoogt appellant - door middel van een hoger dagloon - een hogere uitkering te krijgen. Daarvoor is nodig dat wordt uitgegaan van een eerdere referteperiode en - dus - van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan thans 29 maart 2006 (per welke appellant zich “vanuit de WW” heeft ziek gemeld) waarna hij in aanmerking komt voor een beoordeling in het kader van de Wet Amber (Stb. 1995, 560) en voor hem een verkorte wachttijd van vier weken geldt.


3.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.2. Appellant heeft zich gesteld op het standpunt dat zijn klachten per 19 januari 2004 dienen te worden geduid als voortvloeiend uit de ziekte van Menière en dat hij bijgevolg in aanmerking komt voor toepassing van artikel 43a, onder b, van de WAO, de zogenoemde Amber-beoordeling, waarvoor een wachttijd van slechts vier (in plaats van in het kader van de Wet WIA 104) weken geldt.

Ter zitting van de Raad heeft appellant desgevraagd verklaard dat zijn medische beperkingen per 19 januari 2004 correct zijn vastgelegd in de op 10 augustus 2004 vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst.

Het achteraf anders etiketteren van appellants klachten per 19 januari 2004 leidt niet tot het aannemen van (meer) beperkingen per die datum. Appellant was dan ook op die datum geschikt voor zijn eigen werk als conciërge.

Aangezien artikel 43a, onder b, van de WAO ziet op degene die in aansluiting op het einde van de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn - eigen - arbeid wegens ziekte of gebreken berust appellants standpunt op een verkeerde lezing van die bepaling. Bijgevolg kan aan een beoordeling op grond van evenvermelde bepaling niet worden toegekomen en kan appellant met zijn verzoeken om herziening niet bewerkstellingen wat hij wenst.


3.3. Nu een Amber-beoordeling niet aan de orde kan zijn, is 29 maart 2006 terecht als eerste arbeidsongeschiktheidsdag aangemerkt.

Overeenkomstig artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder q, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, heeft het Uwv het dagloon terecht gebaseerd op de periode die loopt van 27 maart 2005 tot en met 26 maart 2006.

Appellants verzoeken om herziening kwamen dan ook niet voor inwilliging in aanmerking en zijn terecht afgewezen.


3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.


4. De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3.


Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011.


(get.) G.J.H. Doornewaard.


(get.) D.E.P.M. Bary.


TM