Centrale Raad van Beroep, 26-01-2011 / 09-6886 WIA


ECLI:NL:CRVB:2011:BP2219

Inhoudsindicatie
Toekenning WIA-uitkering in de vorm van een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Voldoende rekening gehouden met de beperkingen van appellant. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt te achten. Voor de gevraagde vergoeding van bezwaarkosten is alleen al geen plaats omdat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-01-26
Publicatiedatum
2011-01-28
Zaaknummer
09-6886 WIA
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/6886 WIA


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2009, 08/4718 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 26 januari 2011

I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Appellant en het Uwv hebben bij faxberichten van 24 december 2010 respectievelijk 4 januari 2011 nadere stukken ingezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011. Voor appellant is mr. Kramer verschenen en voor het Uwv mr. drs. F.A. Steeman.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 6 november 2006 heeft het Uwv appellant met ingang van 25 september 2006 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) in de vorm van een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Dit besluit is na bezwaar van appellant gehandhaafd bij besluit van 23 april 2007.


1.2. Appellant heeft tegen het besluit van 23 april 2007 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 20 mei 2008 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 april 2007 vernietigd en bepaald dat het Uwv opnieuw beslist op het bezwaar van appellant. Naar het oordeel van de rechtbank ontbrak aan het besluit van 23 april 2007 een voldoende draagkrachtige medische motivering.


1.3. Het Uwv heeft na aanvullend verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 24 oktober 2008 zijn besluit van 6 november 2006 opnieuw gehandhaafd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 24 oktober 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de beperkingen die zijn gebleken bij een in opdracht van de bezwaarverzekeringsarts uitgevoerd psychiatrische onderzoek voldoende zijn verwerkt in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 3 oktober 2008. Met rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige is toegelicht dat de belasting in de aan schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gaat en dat in die functies aan appellant geen opleidings- en taaleisen worden gesteld waaraan hij niet voldoet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv bij zijn besluit van 24 oktober 2008 het bezwaar van appellant ongegrond kunnen verklaren omdat een verhoging van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 36,47% naar 63,9% geen gevolgen heeft voor de uitkering die ingevolge de WIA aan appellant wordt verstrekt.


3.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn in bezwaar en beroep betrokken stellingen herhaald. Hij meent volledig arbeidsongeschikt te zijn. Er heeft volgens hem geen voldoende verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Hij acht de aan hem voorgehouden functies niet geschikt. Hij is ten slotte van mening dat het Uwv hem ten onrechte geen bezwaarkosten heeft vergoed.


3.2. Het Uwv heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Na de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 2008 heeft bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek een psychiatrische expertise gevraagd. Psychiater W.M.J. Hassing heeft appellant onderzocht en op 1 oktober 2008 verslag gedaan van haar bevindingen. Zij heeft de diagnose gesteld op een chronische PTSS en mogelijk een depressieve stoornis, gedeeltelijk in remissie, bij een man met aanwijzingen voor obsessief-compulsieve persoonlijkheidstrekken. Op de vraag van Van Glabbeek of er op psychiatrische gronden contra-indicaties zijn voor werkhervatting heeft Hassing geantwoord dat appellant vanuit de PTSS beperkt is in een aantal psychische functies. Zij heeft als beperkingen benoemd: concentratieproblemen, een verlaagd energieniveau, een snelle irritatie in contact met anderen die aanleiding geeft tot snel oplopende conflicten en ernstige problemen in het samenwerken met collega’s en het accepteren van leiding.


4.2. Op basis van het rapport van Hassing heeft bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek aanvullende beperkingen opgenomen in de FML van 3 oktober 2008. Toegevoegd zijn een beperking ten aanzien van het concentreren van de aandacht en een urenbeperking tot ongeveer vier uur per dag en ongeveer 20 uur per week. Met de snelle irritatie was volgens Van Glabbeek al voldoende rekening gehouden met de in de eerder opgestelde FML verwoorde beperkingen, waaronder beperkingen ten aanzien van omgaan met conflicten en samenwerken, en met de vermeldingen dat appellant geen autoriteit duldt, alles en iedereen wantrouwt en behoefte heeft aan een relatief rustige werkplek.


4.3. Ter onderbouwing van zijn stelling dat met de FML van 3 oktober 2008 zijn beperkingen zijn onderschat heeft appellant verwezen naar het door hem ingezonden rapport van I-psy van 15 december 2010. De Raad volgt bezwaarverzekeringsarts

Van Glabbeek in zijn reactie van 3 januari 2011 dat I-psy eenzelfde diagnose heeft gesteld als psychiater Hassing en dat het rapport overigens geen feiten bevat die nog niet bekend waren. Uit het rapport volgt naar het oordeel van de Raad niet dat appellant niet tot het verrichten van enige arbeid in staat is. Integendeel, de opmerking van de behandelende psychiater en psycholoog dat het voor appellant niet onmogelijk is om met collega’s op de werkvloer of met een leidinggevende samen te werken duidt erop dat zij zich kunnen vinden in de FML, waarin eveneens tot uitdrukking is gebracht dat geen sprake is van een onmogelijkheid om te werken maar wel van forse beperkingen. In die FML zijn ook andere beperkingen verwerkt, die voortvloeien uit de slechthorendheid en de aan stress gerelateerde cardiale klachten en hoofdpijnklachten. Dat de door de behandelaars genoemde algemene gezondheidstoestand meer beperkingen noodzakelijk maakt, volgt niet uit het rapport. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de FML van 3 oktober 2008 onjuist is.


4.4. De opvatting van appellant dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig is geweest omdat hij in bezwaar niet opnieuw lichamelijk is onderzocht, deelt de Raad niet. Voorafgaand aan het besluit van 6 november 2006 was appellant door een verzekeringsarts lichamelijk onderzocht. Uit het verslag van de bezwaarverzekeringsarts van 18 april 2007 volgt dat appellant op de hoorzitting alleen ter sprake heeft gebracht dat zijn psychische klachten tot aanpassing van de FML moeten leiden. De bezwaarverzekeringsarts besloot daarop informatie in te winnen bij de indertijd behandelend psychiater. In zijn bezwaarschrift noch tijdens de hoorzitting heeft appellant naar voren gebracht dat sprake is van rugklachten. In die omstandigheden kon in bezwaar een nieuw lichamelijk onderzoek achterwege blijven.


4.5. Appellant heeft zijn herhaalde stellingen dat in alle functies een belasting wordt gevraagd waarbij sprake is van een overschrijding van zijn mogelijkheden en dat hij niet het opleidingsniveau heeft dat die functies voor hem toegankelijk maken, in hoger beroep niet nader toegelicht. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de geschiktheid van de functies in medisch opzicht en de arbeidskundige grondslag van het besluit van 24 oktober 2008 en maakt de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen tot de zijne.


4.6. Voor de gevraagde vergoeding van bezwaarkosten is alleen al geen plaats omdat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Voorafgaand aan het door de rechtbank vernietigde besluit van 23 april 2007 is niet om vergoeding van die kosten gevraagd. Het hangende de procedure bij de rechtbank geformuleerde verzoek kan, zoals de Raad onder andere in zijn uitspraak van 24 januari 2007, LJN AZ8873 heeft overwogen, alleen betrekking hebben op de kosten van rechtsbijstand die zijn gemaakt na heropening van de bezwaarprocedure. In die fase van de bezwaarprocedure zijn geen proceshandelingen verricht als omschreven in de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht onder A.4. Een nadere hoorzitting heeft niet plaatsgevonden.


4.7. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.


5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011.


(get.) M. Greebe.


(get.) M.D.F. de Moor.


KR