Centrale Raad van Beroep, 26-01-2011 / 09-3367 WIA


ECLI:NL:CRVB:2011:BP2226

Inhoudsindicatie
Oplegging loonsanctie. Er is geen sprake van een bevredigend re-integratieresultaat en dat zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Evenals de rechtbank verwerpt de Raad de stelling van appellante die erop neerkomt dat geen loonsanctie van 52 weken mocht worden opgelegd, maar de duur ervan had worden afgemeten naar de mate van verwijtbaarheid. Uit artikel 25, negende lid, van de Wet WIA volgt niet dat een loonsanctie ‘op maat’ moet worden opgelegd. Deze bepaling voorziet in oplegging van een loonsanctie van (maximaal) 52 weken, waarbij de uiteindelijke duur van de loonsanctie afhankelijk is van het herstel van de tekortkoming door de werkgever.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-01-26
Publicatiedatum
2011-01-28
Zaaknummer
09-3367 WIA
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
Uitspraak

09/3367 WIA


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 mei 2009, 08/990 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 26 januari 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. P.J. van ’t Hoff, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.F. de Roy van Zuydewijn.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het Uwv het tijdvak waarin [werkneemster] (werkneemster) jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Deze verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de wachttijd van 104 weken en op de grond dat door appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.


1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 mei 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, het Uwv veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat het Uwv het betaalde griffierecht vergoedt. Geoordeeld is dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het berust op een onjuiste motivering. De rechtbank heeft overwogen dat als uitgangspunt dient te gelden dat de werkgever van de advisering van geraadpleegde deskundigen mag uitgaan, tenzij er omstandigheden zijn om te twijfelen aan de juistheid of de consistentie van die advisering. De rechtbank heeft aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, omdat naar haar oordeel appellante zonder deugdelijke grond tekortgeschoten is in de re-integratie-inspanningen.


3.1. In hoger beroep heeft appellante het standpunt ingenomen dat zij in redelijkheid tot de verrichte re-integratie-inspanningen heeft kunnen komen. Aanvankelijk werd gestuurd op hervatting in het eigen werk van de werkneemster. Haast onvermijdelijk was dat het traject lang zou zijn. Nadat was vastgesteld dat het eigen werk geen reële optie meer was, is het tweede spoor ingezet, waarbij de werkneemster een sollicitatietraining en een beroepskeuzeonderzoek heeft ondergaan. Appellante heeft steeds de intentie gehad het aantal arbeidsuren uit te breiden. De werkneemster gaf bij urenuitbreiding telkens aan dat haar klachten toenamen, hetgeen werd geaccordeerd door de bedrijfsarts. De beslissing van de werkneemster om (bij Yarden) minder uren te gaan werken dan zij bij appellante deed, is het gevolg van haar behoefte om te recupereren.


3.2. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat en dat zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1. In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat en of dat appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.


4.2. De Raad verwerpt de stelling van appellante dat de rechtbank aan een onjuist criterium heeft getoetst door te overwegen dat het re-integratieresultaat onvoldoende is. Immers in de aangevallen uitspraak is vermeld dat ingevolge de Beleidsregels beoordelingskader sprake moet zijn van een bevredigend re-integratieresultaat. Het enkele bezigen van de term “onvoldoende” in plaats van “bevredigend” acht de Raad onvoldoende voor de conclusie dat de rechtbank een ander criterium heeft toegepast dan waarin in de Beleidsregels is voorzien.


4.3. Voorts verwerpt de Raad de stelling van appellante dat uit artikel 65 van de Wet WIA volgt dat het re-integratieresultaat geen maatstaf is. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3717. Daarin heeft de Raad geoordeeld dat er in beginsel geen reden is om te oordelen dat het in de Beleidsregels neergelegde beoordelingskader in strijd komt met de artikelen 65 en 25, negende lid, van de Wet WIA. Uit de Beleidsregels volgt dat, indien het Uwv het resultaat niet bevredigend acht, bij de beoordeling zal worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Ingevolge de Beleidsregels is van een bevredigend resultaat sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. De Raad is van oordeel dat het Uwv in het onderhavige geval een juiste toepassing heeft gegeven aan de Beleidsregels.


4.4. De Raad stelt vast dat het standpunt van het Uwv gebaseerd is op de conclusies van de verzekeringsarts in de rapportage van 6 december 2007, de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 2 april 2008, de arbeidsdeskundige in de rapportage van 7 januari 2008 en de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportages van 6 mei 2008 en 27 januari 2009. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de werkneemster inzetbaar is in functies met een rugsparend karakter en waarin afwisseling van houding mogelijk is. Er is geen indicatie voor een urenreductie wanneer de uit te oefenen functie passend is. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien een andere conclusie te trekken. De bedrijfsarts heeft geen medische inhoudelijke argumenten waarom de werkneemster ten hoogte 16 uur per week zou kunnen werken. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is, gelet op de criteria van de Standaard Verminderde Arbeidsduur, een urenbeperking niet nodig indien rekening wordt gehouden met de door de arbo-dienst (eerder) aangenomen beperkingen. De verzekeringsartsen achten appellante in staat vijf dagen per week en vier uur per dag zittend werk te doen. De arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige hebben geconcludeerd dat het re-integratieresultaat onvoldoende is en dat zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. De werkneemster verrichtte bij Yarden aanvankelijk 16 uur per week en bij het einde van de wachttijd slechts 12 uur per week werk voor een andere werkgever, terwijl het dienstverband 32 uur per week omvat en geen urenbeperking geldt voor passend werk.


4.5. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat en appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. In dit verband wijst de Raad erop dat er onvoldoende medische gegevens zijn op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat werkneemster slechts gedurende 12 uur per week in staat zou zijn passende werkzaamheden te verrichten. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de mogelijkheden tot werkhervatting onvoldoende zijn aangepakt, ook gegeven de door de arbo-dienst vastgestelde functionele mogelijkheden, waarbij van belang is dat de arbo-dienst niet heeft aangegeven dat sprake zou zijn van een urenbeperking. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat de bedrijfsarts geen (medische inhoudelijke) argumenten voor het aannemen daarvan heeft gegeven. De Raad verwijst naar de in de aangevallen uitspraak aangehaalde rapporten en voortgangsverslagen van de arbo-dienst en deelt de conclusie van de rechtbank dat de omstandigheid dat appellante uiteindelijk bij Yarden heeft hervat in de omvang van aanvankelijk 16 uur per week en later 12 uur per week, aanleiding had moeten zijn meer gericht actie te ondernemen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante ten onrechte een urenomvang van minder dan 32 uur per week leidend geacht. Appellante is onvoldoende nagegaan welke acties nodig waren voor een optimaal re-integratieresultaat.


4.6. Met betrekking tot het standpunt van appellante dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij appellante als werkgever is gelegen. In hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.


4.7. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen, onderschrijft de Raad het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat en dat zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht.


4.8. Evenals de rechtbank verwerpt de Raad de stelling van appellante die erop neerkomt dat geen loonsanctie van 52 weken mocht worden opgelegd, maar de duur ervan had worden afgemeten naar de mate van verwijtbaarheid. De Raad verwijst naar de hiervoor al genoemde uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3717, waarin is geoordeeld dat uit artikel 25, negende lid, van de Wet WIA niet volgt dat een loonsanctie ‘op maat’ moet worden opgelegd. Deze bepaling voorziet in oplegging van een loonsanctie van (maximaal) 52 weken, waarbij de uiteindelijke duur van de loonsanctie afhankelijk is van het herstel van de tekortkoming door de werkgever.


5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.


6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011.


(get.) Ch. van Voorst.


(get.) M.A. van Amerongen.


KR