Centrale Raad van Beroep, 28-01-2011 / 10-2962 WAZ


ECLI:NL:CRVB:2011:BP2547

Inhoudsindicatie
Intrekking WAZ-uitkering na maximale termijn van anticumulatie. De in drie jaren verrichte werkzaamheden van appellant in zijn bedrijf op het gebied van management, beheer en administratie dienden op grond van het in het onderhavige tijdvak geldende tweede lid van artikel 58 van de WAZ als zijn arbeid te worden aangemerkt. Het salaris, dat appellant ontving, kan niet anders dan als een reële arbeidsprestatie worden gezien en diende het daarvoor over een aaneengesloten periode van drie jaar ontvangen loon als inkomsten uit arbeid te worden beschouwd. Geen medische redenen om te oordelen dat de verzekerde de verrichte werkzaamheden niet langer zou kunnen volhouden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-01-28
Publicatiedatum
2011-02-01
Zaaknummer
10-2962 WAZ
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/2962 WAZ


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 april 2010, 09/2681 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 28 januari 2011


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2010.

Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich - met bericht - niet laten vertegenwoordigen.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant was werkzaam als directeur-grootaandeelhouder (dga) van [naam vennootschap], welke vennootschap de directie voerde over de werkmaatschappij [naam werkmaatschappij] Met ingang van

25 september 2003 heeft appellant zich ziek gemeld. Het Uwv heeft bij besluit van 2 december 2004 aan appellant met ingang van 23 september 2004 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bij dit besluit is tevens bepaald dat in verband met inkomsten uit arbeid deze uitkering met ingang van 23 september 2004 niet wordt uitbetaald. Hieraan lag ten grondslag een arbeidskundig rapport van 24 november 2004 waarin is vermeld dat appellant voor de uitvoerende werkzaamheden een vervanger had aangetrokken, zelf het beheer en de leiding van het bedrijf behield en een inkomen op het niveau van het maatmaninkomen realiseerde.


1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 15 mei 2007 de WAZ-uitkering van appellant met ingang van 23 september 2007 ingetrokken omdat appellant in staat was zijn inkomsten duurzaam te verwerven. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 juli 2007 gegrond verklaard en het besluit van 15 mei 2007 werd niet langer gehandhaafd. Bij het besluit van 6 juli 2007 is overwogen dat de maximale periode van drie jaar inkomstenverrekening nog niet was verstreken en dat de arbeidsdeskundige na 23 september 2007 de positie van appellant opnieuw zou bezien.


2. In een arbeidskundig rapport van 3 maart 2009 is vastgesteld dat bij vergelijking van het maatmaninkomen over 2007 met het bruto jaarinkomen over dat jaar een verlies aan verdienvermogen resteerde van 10,56%. Gelet hierop eindigde op

23 september 2007 de maximale termijn van anticumulatie en diende appellant, aldus dit rapport, minder dan 25% arbeidsongeschikt te worden beschouwd. Om praktische redenen diende de beëindiging van de toepassing van artikel 58 van de WAZ echter te worden geëffectueerd met ingang van 1 januari 2008. Het Uwv legde een en ander vast in het besluit van 6 maart 2009.


3. In de bezwaarprocedure heeft appellant blijkens een telefoonnotitie op 9 april 2009 aangegeven per 1 januari 2008 te zijn gestopt met zijn ondernemingen, die nog wel bij de Kamer van Koophandel ingeschreven staan. In het proces-verbaal van de hoorzitting op 29 april 2008 (lees: 2009) is aangegeven dat appellant tot en met 31 december 2007 het beheer over zijn bedrijf voerde en daaruit inkomsten verwierf. De bezwaararbeidsdeskundige onderschreef op 7 mei 2009 het in overweging 2 vermelde arbeidskundig rapport. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 2 juli 2009 het bezwaar tegen het besluit van 6 maart 2009 ongegrond.


4.1. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van 2 juli 2009 (hierna: het bestreden besluit) bij de aangevallen uitspraak ongegrond.


4.2. De rechtbank wees op het tweede lid van artikel 58 van de WAZ, zoals dit ten tijde van de periode in geding gold. Volgens dit tweede lid kon toepassing van het eerste lid ten hoogste over een aaneengesloten tijdvak van drie jaar plaatsvinden en diende na afloop van dit tijdvak definitief te worden geschat. Gelet op de arbeidskundige rapporten van

24 november 2004 en 14 mei 2007 konden de werkzaamheden van appellant als dga, die daarvoor steeds hetzelfde salaris ontving, niet anders dan als een reële arbeidsprestatie worden gezien en diende het daarvoor over een aaneengesloten periode van drie jaar ontvangen loon als inkomsten uit arbeid te worden beschouwd. Ten slotte wees de rechtbank erop dat de wijziging van de periode van drie jaar anticumulatie in vijf jaar eerst met ingang van 1 januari 2009 in werking is getreden.


5. In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere fasen van de procedure voorgedragen standpunten in essentie herhaald. Deze komen er op neer dat hij vanwege zijn ziekte het beroep van stoffeerder niet meer kon uitoefenen en dat de contracten van degenen die in de plaats traden van zijn aanvankelijke vervanger liepen van 1 januari 2006 tot en met

31 december 2007. Ter zitting heeft appellant daaraan nog toegevoegd dat het bedrijf niet meer kon worden voortgezet met ingang van 1 januari 2008 omdat hij geen nieuwe werknemers meer kon vinden die onder dezelfde voorwaarden wilde werken als de werknemers die tot die datum werkzaam waren en hem in staat stelden zijn inkomen te realiseren.


6.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank. De Raad tekent daarbij aan dat na afloop van een aaneengesloten tijdvak van drie jaar korting, welk afloop in het geval van appellant om praktische redenen heeft geleid tot intrekking van de WAZ-uitkering eerst met ingang van 1 januari 2008, de in dat tijdvak verrichte werkzaamheden van appellant in zijn bedrijf op het gebied van management, beheer en administratie op grond van het in het onderhavige tijdvak geldende tweede lid van artikel 58 van de WAZ als zijn arbeid dienden te worden aangemerkt. De omvang en reikwijdte van die werkzaamheden op zich zijn bij de betreffende besluiten tot toepassing van anticumulatie al aan de orde geweest en spelen geen rol meer bij de thans in geding zijnde toepassing van artikel 58, tweede lid, van de WAZ. Wat betreft de omstandigheid dat appellant met ingang van 1 januari 2008 niet meer werkzaam was, wijst de Raad op zijn uitspraak van 3 juli 2007 (LJN BA9891), waarin hij het oordeel van de rechtbank in die zaak onderschreef, welk oordeel er op neerkwam dat het feitelijk gestopt zijn met zijn arbeid niet ter zake doet bij de toepassing van artikel 58, tweede lid, van de WAZ, maar dat het erom gaat dat de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden tot die arbeid in staat wordt geacht omdat na drie jaar niet meer behoeft te worden getwijfeld aan zijn capaciteiten om die gedurende drie jaar gedane arbeid ook daarna vol te houden. De Raad voegt daar nog aan toe dat dit mogelijk anders zou kunnen zijn in het zich hier niet voordoende geval dat om medische redenen zou moeten worden geoordeeld dat de verzekerde de in even bedoelde kortingsperiode verrichte werkzaamheden niet langer zou kunnen volhouden.


6.2. Overweging 6.1 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2011.


(get.) C.W.J. Schoor.


(get.) D.E.P.M. Bary.


KR