Centrale Raad van Beroep, 25-01-2011 / 08-6656 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BP2711

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om bijzondere bijstand. Appellant beschikte over de middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Voorts staat vast dat hij nadien daarover beschikte. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten aanzien van de gestelde schuld met zijn zoon een terugbetalingsregeling heeft getroffen. Geen zeer dringende redenen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-01-25
Publicatiedatum
2011-02-03
Zaaknummer
08-6656 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/6656 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 15 oktober 2008, 08/411, (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldenzaal (hierna: College)


Datum uitspraak: 25 januari 2011


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2010. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R. de Groot, werkzaam bij de gemeente Oldenzaal.


II. OVERWEGINGEN


1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.


1.1. Bij brief van 19 juni 2007 heeft appellant het College verzocht om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) in de kosten van rechtshulp, ten bedrage van in totaal € 8.466,11, die door hem in de jaren 2004 tot en met 2007 zijn gemaakt. Bij besluit van 24 augustus 2007 heeft het College afwijzend op dit verzoek beslist.


1.2. Bij besluit van 14 maart 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 augustus 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College overwogen dat de aanvraag eerst is ingediend nadat de kosten zijn opgekomen en voldaan, zodat sprake is van een schuld als bedoeld in artikel 13, eerste lid aanhef en onder f, van de WWB en dat van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onderdeel b, van de WWB niet is gebleken. Verder heeft het College overwogen dat voor kosten van rechtsbijstand in beginsel een beroep moet worden gedaan op de voorliggende voorziening van de Wet op de rechtsbijstand, welke voorziening het College toereikend en passend beschouwt om in de opgekomen kosten te voorzien.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 14 maart 2008 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat in zijn geval wordt voldaan aan de voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand en dat sprake is van noodzakelijke kosten. Het College heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn eerder ingenomen standpunt. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het College het bestreden besluit aldus toegelicht dat het College zich primair op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een schuld en dat niet is gebleken van zeer dringende redenen die ertoe nopen van het algemene uitgangspunt van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB af te wijken.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 7 augustus 2007, LJN BB1649, heeft overwogen, is voor de beoordeling van de vraag of en in hoeverre sprake is van een aanvraag om bijzondere bijstand voor schulden zowel bepalend de strekking van de aanvraag, zoals die moet worden afgeleid uit de stukken die aan het primaire besluit ten grondslag liggen, alsook de feitelijke situatie ten tijde van de aanvraag. Verder heeft de Raad in deze uitspraak overwogen dat sprake is van een schuld indien de kosten voor de dag van de aanvraag bij de belanghebbende in rekening zijn gebracht en feitelijk al door een ander zijn betaald, mits een verplichting tot terugbetaling jegens die ander voldoende is aangetoond.


4.1.2. De Raad stelt vervolgens vast dat de aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van rechtshulp van in totaal € 8.466,11 kosten betreft die voor de dag van de aanvraag aan appellant in rekening zijn gebracht en die, zo valt uit appellants aanvraag op te maken, op de dag van de aanvraag al waren voldaan door de zoon van appellant. Bij zijn besluitvorming is het College dus terecht uitgegaan van een aanvraag om bijzondere bijstand voor een schuldenlast.


4.2.1. Ten aanzien van de vraag of het College terecht heeft geweigerd bijzondere bijstand toe te kennen voor de schulden, overweegt de Raad als volgt.


4.2.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand.


4.2.3. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.


4.2.4. Vast staat dat appellant ten tijde van het ontstaan van de hier in geding zijnde schulden beschikte over de middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Voorts staat vast dat hij nadien daarover beschikte. Dit betekent dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB in beginsel aan bijstandsverlening voor deze schulden in de weg staat. Met de rechtbank is de Raad verder van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van de gestelde schuld met zijn zoon een terugbetalingsregeling heeft getroffen. De Raad heeft in de gedingstukken en in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat in zijn geval sprake is geweest van zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB. Het voorgaande betekent dat het College niet bevoegd was over te gaan tot verlening van bijzondere bijstand voor de schulden van appellant.


5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011.


(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.


(get.) R. Scheffer.


HD