Centrale Raad van Beroep, 25-01-2011 / 08-7353 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BP3308

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijzondere bijstand. De waarde van de auto samen met het bij de aanvang van de bijstandsverlening vastgestelde vermogen was hoger dan het in het geval van appellant van toepassing zijnde bedrag van het vrij te laten vermogen. Van de tenaamstelling van de auto is aan het College geen melding gemaakt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-01-25
Publicatiedatum
2011-02-07
Zaaknummer
08-7353 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/7353 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2008, 08/2473 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen (hierna: College)


Datum uitspraak: 25 januari 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. G. Th. Offreins, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2010. Voor appellant is verschenen mr. B.G. Meijer, advocaat te Amsterdam. Het College heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontvangt sinds 24 januari 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande die 65 jaar of ouder is.


1.2. Bij besluit van 25 mei 2007 is aan appellant bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen.


1.3. Bij een reguliere controle van de afdeling handhaving van de Afdeling Werk, inkomen en Zorg van de gemeente Diemen (hierna: WIZ) is onder meer gebleken dat sinds 5 januari 2007 een Mercedes Benz met het bouwjaar 2000 (hierna: auto) op naam van appellant staat. Omdat dit gegeven niet bekend was bij WIZ, heeft een handhavingspecialist van WIZ een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering van appellant. In dat kader is onder meer administratief vooronderzoek verricht. Volgens de door de handhavingspecialist geraadpleegde autokoerslijsten ligt de waarde van de auto tussen € 8.000,-- en € 11.000,--.


1.4. De bevindingen van het onderzoek waren voor het College aanleiding om bij besluit van 6 november 2007 de algemene bijstand van appellant met ingang van 24 januari 2007 in te trekken op de grond dat het vermogen van appellant te hoog is. Bij besluit van 3 maart 2008 heeft het College de over de periode van 24 januari 2007 tot en met 30 september 2007 gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand tot een bedrag van € 1.864,74 van appellant teruggevorderd.


1.5. Appellant heeft op 23 maart 2008 een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 13 mei 2008 heeft het College;

a) Het bezwaar voor zover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van

6 november 2007 niet-ontvankelijk verklaard;

b) Het bezwaar tegen het besluit van 3 maart 2008 ongegrond verklaard en

c) De aan appellant verleende bijzondere bijstand ingetrokken.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 mei 2008 ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bezwaarschrift van 23 maart 2008, voor zover dat mede geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 6 november 2007, te laat is ingediend en dat er geen sprake was van een dusdanig ingewikkelde en ondoorzichtige situatie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De in hoger beroep door appellant aangevoerde grond dat hij wegens ziekte niet tijdig bezwaar heeft kunnen maken tegen het besluit van 6 november 2007 is slechts onderbouwd met een aanvraag voor een medisch onderzoek die na het verstrijken van de termijn voor het maken van bezwaar is gedaan en kan reeds daarom geen doel treffen.


4.2. Met betrekking tot de intrekking van de bijzondere bijstand heeft de rechtbank met juistheid, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad, overwogen dat het gegeven dat een kentekenbewijs van een auto op naam van betrokkene staat de vooronderstelling rechtvaardigt dat deze auto een bestanddeel vormt van het vermogen van deze persoon waarover hij daadwerkelijk de beschikking heeft, dan wel redelijkerwijs kan beschikken en dat het in een dergelijke situatie aan betrokkene is om in voldoende mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.


4.3. Ook naar het oordeel van de Raad is appellant er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de auto niet tot zijn vermogen behoorde. De overgelegde aankoopnota en verzekeringsbewijzen op naam van zijn zoon zijn hiertoe niet toereikend. De schriftelijke verklaring van deze zoon die onder meer inhoudt dat hij eigenaar is van de auto, dat de auto in 2007 om persoonlijke redenen enige tijd op naam van appellant heeft gestaan en dat appellant niet eens op de hoogte was van het feit dat de auto op zijn naam stond brengen de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad merkt in dit verband nog op dat een auto niet buiten medewerking of machtiging van een betrokkene op diens naam kan worden gezet.


4.4. Niet in geschil is dat de waarde van de auto samen met het bij de aanvang van de bijstandsverlening vastgestelde vermogen hoger was dan het in het geval van appellant van toepassing zijnde bedrag van het vrij te laten vermogen en dat hij van de tenaamstelling van de auto aan het College geen melding heeft gemaakt. Daarom was het College bevoegd tot intrekking van de bijzondere bijstand over te gaan. De wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt is niet bestreden.


4.5. Gezien het voorgaande was het College tevens bevoegd de gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand van appellant terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent zijn leeftijd, gezondheid en financiële situatie ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in de door het College inzake terugvordering van bijstand gehanteerde Beleidsregels en uitvoeringsvoorschriften terugvordering en verhaal WWB, dan wel bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van deze beleidsregels had moeten afwijken.


4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011.


(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.


(get.) R. Scheffer.


HD