Centrale Raad van Beroep, 04-03-2011 / 10-2917 WAO


ECLI:NL:CRVB:2011:BP7019

Inhoudsindicatie
Anticumulatie. Terugvordering WAO-uitkering. Het gaat hier om een bestuursrechtelijke procedure en niet om een strafrechtelijke procedure. Aan het (vergaren van) bewijs worden andere eisen gesteld dan in een strafrechtelijke procedure. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen mag in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van een door een opsporingsambtenaar op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. De Raad ziet geen reden daar in dit geval van af te wijken. Appellant is niet in zijn processuele belangen geschaad. Het beroep van appellant op artikel 6 van het EVRM treft dus geen doel. Voldoende onderbouwd dat appellant heeft gewerkt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-03-04
Publicatiedatum
2011-03-08
Zaaknummer
10-2917 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/2917 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 april 2010, 09/173 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 4 maart 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.A.H. van Marwijk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2011. Appellant was vertegenwoordigd door mr. Van Marwijk en het Uwv door A.M.M. Schalkwijk.


II. OVERWEGINGEN


1. Voor een overzicht van de relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv van 9 december 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de verklaring van appellant, zoals neergelegd in het proces-verbaal van 15 maart 2007, volgt dat hij gewerkt heeft en dat zijn werkzaamheden bestonden uit administratieve werkzaamheden. Dat de in het bedrijf doorgebrachte uren moeten worden gezien als een noodzakelijk verblijf rijmt dan ook niet met de door hem afgelegde verklaring. De rechtbank is van oordeel dat appellant niet in zijn belangen is geschaad doordat hij pas in een laat stadium kennis heeft kunnen nemen van het proces-verbaal van verhoor. De rechtbank is voorts niet gebleken van feiten of omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat wordt afgeweken van het uitgangspunt dat in beginsel van een door een opsporingsambtenaar op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal mag worden uitgegaan. Appellant heeft niet onderbouwd dat de inhoud van het verhoor niet goed zou zijn weergegeven en hij heeft het proces-verbaal ondertekend. Van onrechtmatigheden in de bewijsvergaring is evenmin sprake. De rechtbank heeft voorts overwogen dat niet is gebleken van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank heeft verder overwogen dat, ook al zou appellant zelf geen inkomsten hebben genoten, hiervan voor de toepassing van artikel 44 van de WAO toch sprake is omdat – kort gezegd – zijn vriendin medevennoot is van het bedrijf waarvoor hij werkzaamheden heeft verricht en appellant daar in elk geval indirect baat bij heeft gehad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Uwv over de periode

1 augustus 2006 tot 15 maart 2007 gedeeltelijk onverschuldigd WAO-uitkering heeft betaald aan appellant en dus in beginsel verplicht is tot terugvordering over te gaan. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is niet gebleken.


3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de verklaring van appellant, zoals neergelegd in het proces-verbaal van verhoor van 15 maart 2007. Appellant heeft zich niet eerder tegen de inhoud van dit proces-verbaal kunnen verzetten en het vergaren van tegenbewijs is in dit stadium van de procedure bijna onmogelijk. Daarom is sprake van strijd met artikel 6 van het EVRM. Het proces-verbaal bevat voorts tegenstrijdigheden en mag niet als bewijs in deze procedure worden gebruikt. Appellant vraagt zich af waarom de opsporingsambtenaar die het proces-verbaal heeft ondertekend niet de opsporingsambtenaar is die het verhoor heeft gedaan.


4.1. De Raad overweegt als volgt.


4.2. Appellant heeft in hoger beroep zijn in eerste aanleg opgeworpen stellingen herhaald. De Raad ziet hierin geen reden voor een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De Raad wijst er allereerst op dat het hier gaat om een bestuursrechtelijke procedure en niet om een strafrechtelijke procedure. Aan het (vergaren van) bewijs worden andere eisen gesteld dan in een strafrechtelijke procedure. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen mag in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van een door een opsporingsambtenaar op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. De Raad ziet geen reden daar in dit geval van af te wijken. De stelling dat het verhoor is afgenomen door een andere opsporingsambtenaar dan degene die het heeft ondertekend is – nog afgezien van de eventuele consequenties daarvan – niet onderbouwd. Het feit dat appellant pas in een laat stadium van de procedure van het proces-verbaal van verhoor kennis heeft kunnen nemen leidt evenmin tot die conclusie. Appellant heeft reeds tijdens de eerste procedure in bezwaar een samenvatting van het verhoor kunnen lezen en heeft zich voorts vanaf november 2009 tegen de letterlijke inhoud daarvan kunnen verweren. Appellant is dan ook niet in zijn processuele belangen geschaad. Het beroep van appellant op artikel 6 van het EVRM treft dus geen doel.


4.3. Uit het voorgaande volgt dat appellant mag worden gehouden aan zijn tijdens het verhoor op 15 maart 2007 afgelegde verklaring. In dat proces-verbaal is vermeld: “Na doorlezing van de verklaring volhardde de verdachte daarbij en ondertekende deze”. Appellant heeft deze verklaring op alle vier de bladzijden en zonder voorbehoud ondertekend. De stelling van appellant dat hij diverse keren gezegd heeft dat zijn verklaring in het proces-verbaal niet klopte en dat hem gezegd werd dat dit later wel gewijzigd zou worden overtuigt de Raad niet. Evenals de rechtbank acht de Raad dan ook voldoende onderbouwd dat appellant in de periode van 1 augustus tot 1 november 2006 gemiddeld 18 uur per week heeft gewerkt en in de periode van 1 november 2006 tot 15 maart 2007 gemiddeld 30 uur per week.


4.4. Het hoger beroep slaagt niet.


5.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2011.


(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.


(get.) N.S.A. El Hana.


JL