Centrale Raad van Beroep, 15-03-2011 / 09/376 IOAW + 09/554 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BP8872

Inhoudsindicatie
Uitspraak 1: Indiening aanvraag om een IOAW-uitkering. Dat blijkt expliciet uit de wijze waarop appellant het bij die aanvraag behorende inlichtingenformulier heeft ingevuld. Het college is er in het besluit van 22 november 2007 ten onrechte van uitgegaan dat appellant op 19 juli 2007 een aanvraag om een WWB-uitkering heeft ingediend. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar. Uitspraak 2: Het College dient naar aanleiding van de aanvraag om IOAW-uitkering van 19 juli 2007 nog te beoordelen of aan appellant over de periode een IOAW-uitkering moet worden verleend. Het College is er ten onrechte van uitgegaan dat zulks in het kader van de afhandeling van de aanvraag om IOAW-uitkering van 10 maart 2008 diende te geschieden. Ondeugdelijke grondslag besluit. Ten aanzien van de periode van 1 februari 2008 tot 10 maart 2008 overweegt de Raad dat het College die periode reeds bij genoemde besluit van 10 maart 2008 heeft beoordeeld en heeft bepaald dat appellant niet voor een IOAW-uitkering in aanmerking komt. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit voor zover daarbij is bepaald dat aan appellant geen IOAW-uitkering wordt verleend over de periode van 19 juli 2007 tot 1 februari 2008.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-03-15
Publicatiedatum
2011-03-25
Zaaknummer
09/376 IOAW + 09/554 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/376 IOAW

09/554 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op de hoger beroepen van:


[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2008, 07/4992 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 08/2398 (hierna: aangevallen uitspraak 2),


in de gedingen tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).


Datum uitspraak: 15 maart 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft verweerschriften ingediend.


De zaken zijn ter behandeling aan de orde gesteld op 1 februari 2011, waar partijen niet zijn verschenen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant heeft tot en met 1 juli 2007 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.


1.2. Appellant heeft zich op 20 juni 2007 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Bij besluit van 10 augustus 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

16 oktober 2007, heeft het College deze aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Appellant heeft tegen het besluit van 16 oktober 2007 geen beroep ingesteld.


1.3.1. Appellant heeft op 19 juli 2007 een uitkering aangevraagd. Op het door hem op die datum ondertekende inlichtingenformulier heeft hij aangekruist dat het gaat om een aanvraag op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). Voorts heeft hij aangegeven dat hij aan alle voorwaarden voldoet om op een IOAW-uitkering aanspraak te maken.


1.3.2. Bij brief van 23 augustus 2007 is appellant meegedeeld dat hij op 19 juli 2007 een bijstandsaanvraag heeft ingediend en dat hij nog niet alle gevraagde informatie heeft geleverd. Appellant wordt verzocht om uiterlijk 4 september 2007 de bankafschriften over de periode van 1 mei 2007 tot en met 14 augustus 2007 van zijn ABN-AMRO-rekening aan te leveren. Tevens is meegedeeld dat uit de aanvraag is gebleken dat de identiteitskaart van appellant is verlopen en dat hij een nieuwe identiteitskaart dient aan te vragen en aan te leveren.


1.3.3. Bij brief van 10 september 2007 is aan appellant meegedeeld dat hij in het kader van de WWB een aanvraag om bijstand heeft ingediend, dat op genoemde datum een bezoek is afgelegd aan het door hem opgegeven adres en dat hij aldaar niet is aangetroffen. Appellant wordt uitgenodigd voor een gesprek op 12 september 2007. Hij dient daarbij een geldig legitimatiebewijs en de bank- en/of giroafschriften van de laatste drie maanden mee te nemen. Appellant is op 12 september 2007 niet verschenen.


1.3.4. Bij brief van 12 september 2007 is appellant in het kader van de afhandeling van zijn aanvraag om bijstand opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 13 september 2007. Hij dient daarbij een geldig identiteitsbewijs mee te nemen. Appellant is op 13 september 2007 niet verschenen.


1.3.5. Bij besluit van 17 september 2007 heeft het College aan appellant meegedeeld dat hij zich op 19 juli 2007 heeft gemeld om een bijstandsuitkering aan te vragen en dat deze aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling wordt gesteld omdat hij zonder opgave van reden geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodigingen voor de gesprekken op 12 september 2007 en 13 september 2007.


1.3.6. Bij besluit van 22 november 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 17 september 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij overwogen dat de bijstand wordt geweigerd en dat de reden daarvoor is dat appellant door niet te reageren op de oproepen van 10 september 2007 en 12 september 2007 geen medewerking heeft verleend aan een onderzoek naar zijn recht op bijstand, waartoe hij op grond van artikel 17, tweede lid, van de WWB verplicht is, en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij verkeert in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.


1.4. Op 1 februari 2008 heeft appellant een aanvraag om een IOAW-uitkering ingediend. Bij besluit van 10 maart 2008 heeft het College deze aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant door zonder bericht van verhindering geen gehoor te geven aan uitnodigingen voor een gesprek over zijn woon- en leefsituatie op

5 maart 2008 en 6 maart 2008 niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 13 van de IOAW op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting en dat als gevolg daarvan de door hem verstrekte gegevens niet kunnen worden geverifieerd en het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 4 april 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2008 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het besluit van 4 april 2008 geen beroep ingesteld.


1.5.1. Appellant heeft op 10 maart 2008 opnieuw een aanvraag om een IOAW-uitkering ingediend. Op het bij die aanvraag behorende inlichtingenformulier van 15 maart 2008 geeft hij aan dat hij sinds 1 juli 2007 geen inkomsten uit WW-uitkering meer heeft en dat hij om IOAW-uitkering verzoekt vanaf juli 2007.


1.5.2. Bij besluit van 2 april 2008 heeft het College appellant met ingang van 10 maart 2008 IOAW-uitkering toegekend.


1.5.3. Bij besluit van 15 mei 2008 heeft het College het uitsluitend tegen de ingangsdatum van de uitkering gerichte bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 april 2008 ongegrond verklaard.


2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het onder 1.3.6 genoemde besluit van 22 november 2007 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het onder 1.5.3 genoemde besluit van 15 mei 2008 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 is geregistreerd onder nummer 09/554 WWB. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 is geregistreerd onder nummer 09/376 IOAW.


4. De Raad komt in de zaak 09/554 WWB tot de volgende beoordeling.


4.1. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 1 naar aanleiding van de stellingen van de gemachtigde van het College ter zitting overwogen dat het besluit van 22 november 2007 de aanvraag van 19 juli 2007 betreft en dat niet is gebleken dat het onder 1.2 genoemde besluit van 10 augustus 2007 (eveneens) ziet op de aanvraag van 19 juli 2007. Nu appellant dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep niet heeft bestreden en het College geen hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank heeft ingesteld dient de Raad ervan uit te gaan dat het besluit van 22 november 2007 betrekking heeft op de aanvraag van 19 juli 2007. Gelet daarop zal de Raad niet ingaan op de stelling van het College in zijn verweerschrift van 5 augustus 2009 dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep ziet op de aanvraag van 19 juli 2007.


4.2. De Raad stelt vast dat appellant op 19 juli 2007 een aanvraag om een IOAW-uitkering heeft ingediend. Dat blijkt expliciet uit de wijze waarop appellant het bij die aanvraag behorende inlichtingenformulier heeft ingevuld. De Raad verwijst daarvoor naar overweging 1.3.1. Het College is er in het besluit van 22 november 2007 ten onrechte van uitgegaan dat appellant op 19 juli 2007 een aanvraag om een WWB-uitkering heeft ingediend. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak 1 voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 22 november 2007 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Gelet op de omstandigheid dat onduidelijk is in hoeverre het College beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn om een besluit te nemen op de aanvraag om een IOAW-uitkering van 19 juli 2007, ziet de Raad geen geschikte wijze van finale geschillenbeslechting binnen zijn bereik. De Raad zal het College dan ook opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 september 2007.


4.3. Met het oog op het nieuw te nemen besluit merkt de Raad het volgende op.


4.3.1. De door het College bij het nieuw te nemen besluit te beoordelen periode strekt zich uit van 19 juli 2007, de datum waarop appellant IOAW-uitkering heeft aangevraagd, tot 1 februari 2008. De Raad merkt ten aanzien van de einddatum op dat het College bij het onder 1.4 genoemde besluit van 10 maart 2008 de periode van 1 februari 2008 tot en met 10 maart 2008 reeds heeft beoordeeld en heeft bepaald dat appellant niet voor een IOAW-uitkering in aanmerking komt, dat het College dat besluit na bezwaar bij besluit van 4 april 2008 heeft gehandhaafd en laatstgenoemd besluit, nu appellant daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend, in rechte onaantastbaar is geworden. Voorts heeft het College bij het onder 1.5.2 genoemde besluit van 2 april 2008 appellant met ingang van 10 maart 2008 IOAW-uitkering toegekend.


4.3.2. In artikel 13, tweede lid, van de IOAW is bepaald dat de belanghebbende verplicht is aan burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Anders dan het College in zijn verweerschrift van 5 augustus 2009 heeft gesteld betekent de omstandigheid dat appellant niet heeft gereageerd op de oproepen van 10 september 2007 en 12 september 2007 niet dat appellant in strijd met de ingevolge artikel 13, tweede lid, van de IOAW op hem rustende medewerkingsverplichting heeft gehandeld. Het College ging er bij die oproepen immers ten onrechte van uit dat appellant op 19 juli 2007 een aanvraag om bijstand had ingediend en heeft appellant in beide oproepen meegedeeld dat hij in het kader van de afhandeling van zijn aanvraag om bijstand op gesprek moest komen. In die oproepen wordt appellant derhalve niet gevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de IOAW.


4.3.3. Het College zal tevens een beslissing dienen te nemen op het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.


5. De Raad komt in zaak 09/376 IOAW tot de volgende beoordeling.


5.1. Gelet op hetgeen appellant op het onder 1.5.1 genoemde inlichtingenformulier van 15 maart 2008 heeft vermeld strekte zijn aanvraag ertoe om voor een IOAW-uitkering in aanmerking te worden gebracht vanaf het einde van zijn WW-uitkering, derhalve met ingang van 2 juli 2007. Het College heeft geweigerd appellant IOAW-uitkering te verlenen over de periode van 2 juli 2007 tot 10 maart 2008. Daartoe heeft het College overwogen dat uit artikel 16a van de IOAW moet worden afgeleid dat in het algemeen geen bijstand wordt verleend voorafgaand aan de datum waarop men zich heeft gemeld bij het CWI en dat in de situatie van appellant niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven om van de algemene regel af te wijken.


5.2. De Raad ziet aanleiding bij zijn beoordeling een onderscheid te maken tussen de periode van 2 juli 2007 tot 19 juli 2007, van 19 juli 2007 tot 1 februari 2008 en van 1 februari 2008 tot 10 maart 2008.


5.3. Ten aanzien van de eerstgenoemde periode van 2 juli 2007 tot 19 juli 2007 overweegt de Raad als volgt.


5.3.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de IOAW, stelt het College het recht op uitkering op schriftelijke aanvraag vast. In artikel 16a, eerste lid, van de IOAW is bepaald dat, indien door het College is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, de uitkering wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich overeenkomstig het bepaalde in artikel 16a, tweede lid, van de IOAW bij het CWI heeft gemeld om een uitkering aan te vragen. Dit betekent dat in beginsel geen uitkering wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.


5.3.2. Naar het oordeel van de Raad heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat over de periode van 2 juli 2007 tot 19 juli 2007 IOAW-uitkering wordt verleend. Niet is komen vast te staan dat appellant al voor 19 juli 2007 een aanvraag om een IOAW-uitkering heeft ingediend. Evenmin is gebleken dat appellant op enigerlei wijze actie in de richting van het College heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden. De omstandigheid dat appellant zich reeds op

20 juni 2007 bij het CWI heeft gemeld om een uitkering op grond van de WWB aan te vragen leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van appellant om zich tijdig voor een IOAW-uitkering bij het CWI te melden.


5.4. Ten aanzien van de periode van 19 juli 2007 tot 1 februari 2008 merkt de Raad onder verwijzing naar hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3.2 is overwogen op dat het College naar aanleiding van de aanvraag om IOAW-uitkering van 19 juli 2007 nog dient te beoordelen of aan appellant over die periode een IOAW-uitkering moet worden verleend. Het College is er dan ook ten onrechte van uitgegaan dat zulks in het kader van de afhandeling van de aanvraag om IOAW-uitkering van 10 maart 2008 diende te geschieden. Dit betekent dat het besluit van 15 mei 2008 in zoverre een deugdelijke grondslag ontbeert.


5.5. Ten aanzien van de periode van 1 februari 2008 tot 10 maart 2008 overweegt de Raad dat het College die periode reeds bij het onder 1.4 genoemde besluit van 10 maart 2008 heeft beoordeeld en heeft bepaald dat appellant niet voor een IOAW-uitkering in aanmerking komt. Dat betekent dat de vraag aan de orde is of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb die betrekking hebben op die periode. Van dergelijke feiten of omstandigheden is de Raad niet gebleken. De Raad merkt op dat appellant op dezelfde dag dat zijn aanvraag om IOAW-uitkering van 1 februari 2008 werd afgewezen zich opnieuw heeft gemeld op IOAW-uitkering aan te vragen. De bij laatstgenoemde aanvraag naar voren gebrachte feiten en omstandigheden had appellant daarom ook naar voren kunnen brengen toen hij tegen het besluit van 10 maart 2008 bezwaar maakte. Ook had hij de betreffende feiten en omstandigheden naar voren kunnen brengen indien hij beroep had ingesteld tegen het besluit van 4 april 2008. Dat appellant tegen dat besluit geen beroep heeft ingesteld dient voor zijn rekening en risico te komen.


5.6. De rechtbank heeft hetgeen onder 5.4 en 5.5 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraak 2 komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 15 mei 2008 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen, voor zover daarbij is bepaald dat aan appellant geen IOAW-uitkering wordt verleend over de periode van 19 juli 2007 tot

1 februari 2008. De Raad ziet tevens aanleiding het besluit van 2 april 2008 in zoverre te herroepen.


6.1. De Raad ziet aanleiding om het College in de zaak 09/554 WWB te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


6.2. De Raad ziet aanleiding om het College in de zaak 09/376 IOAW te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De Raad merkt op dat niet is gebleken dat appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


in zaak 09/554 WWB


Vernietigt aangevallen uitspraak 1;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 22 november 2007;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.


in zaak 09/376 IOAW


Vernietigt aangevallen uitspraak 2;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 15 mei 2008 voor zover daarbij is bepaald dat aan appellant geen IOAW-uitkering wordt verleend over de periode van 19 juli 2007 tot 1 februari 2008;

Herroept het besluit 2 april 2008 voor zover daarbij is bepaald dat aan appellant geen IOAW-uitkering wordt verleend over de periode van 19 juli 2007 tot 1 februari 2008;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2011.


(get.) J.J.A. Kooijman.


(get.) N.M. van Gorkum.


HD