Centrale Raad van Beroep, 22-03-2011 / 09/263 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0384

Inhoudsindicatie
Ingangsdatum van de bijstand is (...) in overeenstemming met het ter zake gevoerde beleid, en in afwijking van het uitgangspunt dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt verleend, vastgesteld op 12 oktober 2007. Maatregel: Appellant is de op hem rustende verplichtingen verwijtbaar niet nagekomen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-03-22
Publicatiedatum
2011-04-07
Zaaknummer
09/263 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/263 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 november 2008, 08/474 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)


Datum uitspraak: 22 maart 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is ter zitting aan de orde gesteld op 15 februari 2011. Partijen zijn, zoals bericht, niet verschenen.


II. OVERWEGINGEN


1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten, omstandigheden en toepasselijke wet- en regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.


1.1. Appellant heeft zich, volgens het College, op 27 september 2007 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI) voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 17 oktober 2007 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) deze aanvraag afgewezen. Op 2 november 2007 heeft appellant een aanvraag om uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Begin december 2007 is appellant via uitzendbureau Timing een baan aangeboden bij verhuisbedrijf Muelink & Grol. Omdat appellant niet op het werk verscheen, hebben deze werkzaamheden geen doorgang gevonden en is de overeenkomst met Timing beëindigd.


1.2. Bij besluit van 18 december 2007 heeft het College aan appellant met toepassing van de zogenoemde Schuifregeling bijstand toegekend met ingang van 16 oktober 2007.

Bij datzelfde besluit is de bijstand van appellant met ingang van 16 oktober 2007 voor de duur van een maand verlaagd met 50% van de bijstandsnorm. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant door eigen toedoen werkloos is geworden, dat daarbij volgens de toepasselijke bepalingen van de Maatregelenverordening een verlaging van 100% gedurende een maand past en dat vanwege financiële omstandigheden van appellant is besloten de verlaging te beperken tot 50% voor de duur van een maand.


1.3. Bij besluit van 8 april 2008 heeft het College de tegen het besluit van 18 december 2007 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard met dien verstande dat de ingangsdatum van de bijstand is bepaald op 12 oktober 2007 en de verlaging van de bijstand is toegepast over de periode van 7 december 2007 tot en met 6 januari 2008.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

11 april 2008 ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat hij zich reeds op 17 september 2007 voor de eerste maal bij het CWI heeft gemeld, dat die datum als ingangsdatum van de bijstand heeft te gelden, dat de zogeheten Schuifregeling niet algemeen bekend is gemaakt, dat hij begin december 2007 wegens een lekkage in zijn woning in een overmachtsituatie verkeerde en dat de opgelegde maatregel disproportioneel is.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De ingangsdatum van de bijstand.


4.1.1. De Raad stelt voorop dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich reeds op 17 september 2007 bij het CWI heeft gemeld voor een WW-uitkering. De Raad wijst er voorts op dat, naar vaste rechtspraak van de Raad, de meldings- of aanvraagdatum voor een WW-uitkering, na afwijzing van de WW-aanvraag, niet- zonder meer - tevens als ingangsdatum voor een later aangevraagde bijstandsuitkering heeft te gelden (zie onder meer de uitspraak van 2 oktober 2007, LJN BB5522).


4.1.2. De Raad stelt verder vast dat de zogenoemde Schuifregeling onderdeel uitmaakt van “Marge is Regel” (dat gepubliceerde beleidsregels bevat) en als zodanig als buitenwettelijk begunstigend beleid dient te worden gekwalificeerd. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. Aangezien appellant na de eerste drie werkdagen maar binnen één maand na afwijzing van de WW-aanvraag om bijstand heeft verzocht, is aan de voorwaarden voor toepassing van de Schuifregeling voldaan. Door voor de berekening van de ingangsdatum van de bijstand 27 september 2007 (datum WW-melding) als vertrekpunt te nemen en daarbij op te tellen het aantal dagen dat is gelegen tussen de datum van het afwijzingsbesluit van het UWV (17 oktober 2007) en de datum van aanvraag van de bijstandsuitkering (2 november 2007) is deze regeling voorts met juistheid toegepast. De ingangsdatum van de bijstand is dan ook in overeenstemming met het ter zake gevoerde beleid, en in afwijking van het uitgangspunt dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt verleend, vastgesteld op 12 oktober 2007. Het hoger beroep van appellant treft daarom in zoverre geen doel.


4.2. De verlaging van de bijstand.


4.2.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant ten tijde in geding de op hem rustende verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB verwijtbaar niet is nagekomen. Het College was dan ook gehouden, ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB in verbinding met de toepasselijke bepalingen van de Maatregelenverordening, de bijstand van appellant tijdelijk te verlagen. Niet alleen dat appellant onbetwist op 1, 2 en 3 december 2007 niet bij uitzendbureau Timing is verschenen, is hij evenmin op 5 december 2007 op het afgesproken tijdstip bij verhuisbedrijf Muelink & Grol verschenen en heeft hij zich ook niet afgemeld. De daarvoor gegeven reden - lekkage in de woning - kan niet als geldig excuus worden aanvaard. Niet valt immers in te zien dat hij het verhuisbedrijf dan wel het uitzendbureau daarvan niet tevoren, althans tijdig, in kennis had kunnen en moeten stellen. Gelet op deze verzuimen, het vervolgens te laat verschijnen op 6 december 2007 bij het verhuisbedrijf en het feit dat appellant zich in bedreigende taal jegens medewerkers van het uitzendbureau Timing heeft uitgelaten, is hem op goede gronden een maatregel opgelegd. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet ook de Raad geen grond voor het oordeel dat het College de opgelegde maatregel ten opzichte van de standaardmaatregel verdergaand had dienen te matigen dan reeds is gedaan. Ook in zoverre slaagt het hoger beroep dus niet.


4.3. Uit voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en M.A. Hoogeveen als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2011.


(get.) J.C.F. Talman.


(get.) R.L.G. Boot.


HD