Centrale Raad van Beroep, 05-04-2011 / 09/563 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1085

Inhoudsindicatie
Ondertekening bezwaarschrift. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat in dit geval wel betrokkenes naam en handtekening zijn vermeld. Aan de identiteit van betrokkene behoefde niet te worden getwijfeld en er is geen aanleiding voor twijfel over de indiening van het bezwaarschrift door betrokkene zelf, nu op basis van het door haar - tezamen met het geretourneerde bezwaarschrift - ingestuurde antwoordstrookje mocht worden aangenomen dat betrokkene het bezwaarschrift voor haar rekening heeft willen nemen. De rechtbank heeft het bestreden besluit 2008 terecht vernietigd en heeft eveneens terecht overwogen dat appellant het bezwaar van betrokkene tegen het primaire besluit alsnog inhoudelijk diende te beoordelen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-04-05
Publicatiedatum
2011-04-14
Zaaknummer
09/563 WWB
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

09/563 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2008, 08/1135 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)


en


appellant


Datum uitspraak: 5 april 2011



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Bochove, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Betrokkene is verschenen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Betrokkene heeft op 10 december 2007 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor reiskosten ten behoeve van haar kinderen. Appellant heeft deze aanvraag bij besluit van 24 januari 2008 afgewezen.


1.2. Betrokkene heeft bij brief van 14 februari 2008 tegen het besluit van 24 januari 2008 bezwaar gemaakt, zonder dit bezwaarschrift te voorzien van een ondertekening.


1.3. Appellant heeft bij brief van 15 februari 2008 aan betrokkene de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd.


1.3.1. In de tweede alinea van deze ontvangstbevestiging is vermeld dat betrokkene voor de afhandeling van haar bezwaarschrift kan worden uitgenodigd voor het geven van een mondelinge toelichting. Indien zij daarvan gebruik wenst te maken dient zij het bijgeleverde strookje in te vullen en terug te sturen.


1.3.2. In de derde alinea van deze brief is betrokkene verzocht om appellant vóór 29 februari 2008 een ondertekend bezwaarschrift toe te sturen. Daartoe is een kopie van het bezwaarschrift bijgevoegd. In dezelfde alinea is vervolgens vermeld dat bij de brief een strookje is gevoegd, waarop kan worden aangegeven dat geen prijs wordt gesteld op een uitnodiging om gehoord te worden, en dat dit strookje niet in de plaats komt van de ondertekening van het bezwaarschrift.


1.3.3. Verder is in de brief vermeld dat, indien de gevraagde gegevens niet voor de gestelde datum zijn ontvangen, het bezwaarschrift op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk wordt verklaard.


1.4. Betrokkene heeft het in 1.3.1 bedoelde strookje ingevuld. Zij heeft daarop vermeld dat zij prijs stelt op een uitnodiging voor een mondelinge toelichting op het bezwaarschrift, haar naam en haar telefoonnummer ingevuld en het strookje voorzien van een datum en een handtekening. Het strookje is aan appellant teruggestuurd samen met de kopie van haar niet ondertekende bezwaarschrift. Appellant heeft deze stukken op 25 februari 2008 ontvangen.


1.5. Bij besluit van 4 maart 2008 heeft appellant het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet door betrokkene is ondertekend.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 maart 2008 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant had moeten begrijpen dat betrokkene met het plaatsen van een handtekening op het antwoordstrookje dacht het verzuim te hebben hersteld, en dat appellant het bezwaar onder de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij stelt appellant zich op het standpunt dat betrokkene door de niet ondertekening van haar bezwaarschrift niet aan het in artikel 6:5, eerste lid, van de Awb neergelegde vereiste heeft voldaan, zodat op juiste gronden tot niet-ontvankelijk verklaring is overgegaan. Daarbij heeft appellant gewezen op de uitdrukkelijke aanwijzingen en mededelingen zoals opgenomen in de brief van 15 februari 2008.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. In artikel 6:5, eerste lid van de Awb is onder meer bepaald dat het bezwaarschrift moet zijn ondertekend.


4.2. In artikel 6:6 van de Awb, voor zover in dit geding van belang, is bepaald dat het bezwaar, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen daarvan, niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.


4.3. Betrokkene heeft, hoewel zij is gewezen op het risico dat het bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard, het bezwaarschrift niet binnen de haar gestelde termijn ondertekend, zodat appellant in beginsel bevoegd was om het bezwaar

niet-ontvankelijk te verklaren.


4.4. De Raad is van oordeel dat een niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar in een dergelijk geval achterwege dient te blijven indien de identiteit van de indiener van het bezwaar op andere wijze kan worden vastgesteld of aan diens identiteit niet hoeft te worden getwijfeld. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat in dit geval geen aanleiding is voor twijfel over de indiening van het bezwaarschrift door betrokkene zelf, nu op het door haar - tezamen met het geretourneerde bezwaarschrift - ingestuurde antwoordstrookje wel haar naam en handtekening zijn vermeld. Gelet daarop behoefde ook naar het oordeel van de Raad aan de identiteit van betrokkene niet te worden getwijfeld en mocht worden aangenomen dat betrokkene het bezwaarschrift voor haar rekening heeft willen nemen.


4.5. Voorts is de Raad van oordeel dat appellant door het combineren van de in onderdeel 1.3 genoemde onderwerpen in één brief en de wijze waarop die brief is ingericht (mogelijk) verwarring heeft veroorzaakt over wat precies van betrokkene werd verlangd en welk stuk of welke stukken nu ondertekend geretourneerd dienden te worden. In dat verband wijst de Raad nog op het ter zitting van de Raad aan de orde gestelde oordeel van de rechtbank Rotterdam in soortgelijke zaken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 juli 2009, LJN BJ2435). Daarin zou - zoals ter zitting ook is besproken - appellant aanleiding kunnen zien het werkproces zo in te richten dat toepassing van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb (herstel van verzuimen) duidelijker wordt gescheiden van mededelingen over de inhoudelijke behandeling van een bezwaarschrift.


4.6. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant onder de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift.


4.7. De Raad komt tot de conclusie dat de rechtbank het besluit van 4 maart 2008 terecht heeft vernietigd en eveneens terecht heeft overwogen dat appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 januari 2008 alsnog inhoudelijk diende te beoordelen. Het hoger beroep slaagt dus niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 17,52 aan reiskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 17,52;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 433,--.


Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2011.


(get.) C. van Viegen.


(get.) R.L.G. Boot.


HD