Centrale Raad van Beroep, 15-04-2011 / 10-5177 WAO en 10-5178 WAO


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1723

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. Geen toegenomen arbeidsongeschiktheid. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische beperkingen opgenomen in de FML. Medische geschiktheid van de geduide functies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-04-15
Publicatiedatum
2011-04-19
Zaaknummer
10-5177 WAO en 10-5178 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/5177 WAO en 10/5178 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 augustus 2010, 10/1941 en 10/1944 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 15 april 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.F.J. Witlox, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een ontbrekend dossierstuk toegezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn [naam neef]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.


II. OVERWEGINGEN


1. Appellant was werkzaam als voltijds productiemedewerker toen hij op 26 januari 1983 uitviel wegens rugklachten. Aan appellant zijn met ingang van 27 januari 1984 uitkeringen ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij latere beoordelingen (in 1988, 1992, 1995 en 2000) is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd gehandhaafd.


2.1. Appellant is in het kader van een herbeoordeling met toepassing van het Schattingsbesluit, zoals dat gold tot 1 oktober 2004 (oSB), onderzocht door de verzekeringsarts A.D.C. Huijsmans. In een rapport van 12 december 2008, aangevuld op 9 januari 2009, vermeldde Huijsmans, die de beschikking had over de dossiergegevens en informatie van de huisarts, dat tijdens het spreekuur bij appellant geen psychopathologie kon worden vastgesteld noch specifieke klachten. Er is hooguit sprake van acceptatieproblematiek, welke echter niet leidt tot het stellen van extra beperkingen op psychisch vlak. De door appellant ervaren lichamelijke klachten van rug, nek en benen kon Huijsmans bij onderzoek niet geheel in die mate onderbouwen. De door hem van de huisarts verkregen inlichtingen bevestigden de rugklachten zonder ernstige afwijkingen of onderzoek/behandeling. Wel is sprake van lichte zenuwschade aan de dunne zenuweinden als milde complicatie van de diabetes. Het geheel van gegevens noopte hooguit tot het opnemen van enkele rugontlastende beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De nekklachten leidden tot vermelding in de FML van lichte beperkingen ten aanzien van langdurige bovenhandse belasting en veelvuldige nekbewegingen. Ook stelde Huijsmans enige beperkingen in verband met de diabetes: appellant is beperkt voor extreme koude en warmte en is aangewezen op regelmatige werktijden. Voor een duurbeperking zag hij geen medische redenen. Deze beperkingen legde Huijsmans neer in een FML van 9 januari 2009. Bij het arbeidskundige onderzoek werd vervolgens, zoals neergelegd in het rapport van 27 januari 2009, na functieduiding vastgesteld dat het verlies aan verdienvermogen 49,6% was. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 2 februari 2009 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 3 maart 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.


2.2. In de bezwaarprocedure bestudeerde de bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden de beschikbare medische gegevens, waaronder de door appellant ingebrachte informatie van neuroloog dr. M.S.G. van Zagten van 28 januari 2008 en 26 april 2009. Tevens nam zij kennis van een brief van appellants dochter van 2 juli 2009 die tevens aanwezig was tijdens de hoorzitting op 3 juni 2009. De bezwaarverzekeringsarts stelde in haar rapporten van 3 juni 2009 en 22 juli 2009 vast dat bij appellant ook sprake was van vitiligo en urologische problemen. Zij achtte het echter niet noodzakelijk daarvoor extra beperkingen op te nemen. Met de door appellant ervaren mobiliteitsproblemen en met de afwijkende temperatuurzin in handen en voeten was volgens de bezwaarverzekeringsarts in voldoende mate rekening gehouden in de FML. Zij was tevens van mening dat er ten opzichte van de normaalwaarden geen beperkingen zijn vast te stellen op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren. Appellant heeft een verwerkingsprobleem (inadequate coping) zonder aanwijzingen voor evidente psychopathologie. Ten slotte stelde zij vast dat appellant beschikte over duurzame benutbare mogelijkheden en dat dus van een situatie van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden geen sprake was. Vervolgens lichtte de bezwaararbeidsdeskundige drs. C.H.J. de Vries-van Hulten in een rapport van 21 juli 2009 aanvullend enkele signaleringen in de functies toe en concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd kon worden vastgesteld op ruim 49%. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 23 juli 2009 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 februari 2009 ongegrond.


3.1. Op 29 april 2009 was appellant gedeeltelijk werkloos en meldde hij zich toegenomen arbeidsongeschikt. Naar aanleiding van deze melding is appellant op 18 juni 2009 onderzocht door verzekeringsarts P. Teeuwissen en op 6 juli 2009 door verzekeringsarts W. Blok. Na psychisch en lichamelijk onderzoek concludeerde Blok in zijn rapport van

6 juni 2009 dat sprake was aggravatie. Voor de geclaimde toename van met name de lage rug- en rechterbeenklachten zag hij geen medische onderbouwing. Appellant was ongewijzigd belastbaar overeenkomstig de FML van 9 januari 2009. Vervolgens stelde het Uwv bij besluit van 8 juli 2009 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd vast op 45 tot 55%.


3.2. In bezwaar zag appellant af van een hoorzitting. Op basis van het bezwaarschrift en de overige dossiergegevens onderschreef de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie in een rapport van 20 oktober 2009 de FML van 9 januari 2009, maar voegde hij wel een extra beperking toe ten aanzien van het onderwerp (verhoogd) persoonlijk risico: appellant mag niet werken met gevaarlijke machines/voertuigen of op hoogte vanwege het hem voorgeschreven medicijn Lyrica. Hij noteerde dit in een nieuwe FML van 20 oktober 2009. De bezwaararbeidsdeskundige S.C. Kuiken stelde vervolgens in een rapport van 2 november 2009 vast dat de aan het besluit ten grondslag gelegde functies nog steeds passend waren te achten, omdat daarin geen sprake was van (verhoogd) persoonlijk risico. Dienovereenkomstig werd bij besluit van 6 november 2009 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 juli 2009 ongegrond verklaard.


4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, het bestreden besluit 1 vernietigd, bepaald dat met ingang van 3 april 2009 de WAO-uitkering van appellant wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 1.

De rechtbank heeft voorts het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaard, bestreden besluit 2 vernietigd, maar bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 geheel in stand blijven. Ten slotte heeft de rechtbank beslist tot vergoeding aan appellant van het door hem betaalde griffierecht en is het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant.


5.1. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit 1 was de rechtbank van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. Tevens was de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsartsen voldoende hebben gemotiveerd op welke gronden zij hebben geconcludeerd dat bij appellant geen sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Ook in het feit dat het Uwv het bezwaar van appellant tegen een hersteldverklaring per 15 januari 2010 in het kader van de Ziektewet (ZW) gegrond heeft verklaard, zag de rechtbank onvoldoende grond om volledige arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Daartoe overwoog de rechtbank dat de medische situatie van appellant per 15 januari 2010 op zich niets zegt over zijn gezondheidstoestand per 3 maart 2009. Bovendien heeft appellant niet aannemelijk gemaakt met medische stukken dat op 15 januari 2010 sprake was van een ten opzichte van 3 maart 2009 ongewijzigde gezondheidssituatie. Naar het oordeel van de rechtbank bood de in beroep overgelegde informatie van 16 november 2009 en 20 juli 2010 van neuroloog Van Zagten, gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Van Kasteren-van Delden van 3 augustus 2010, evenmin voldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen. Weliswaar komt uit de brief van de neuroloog van 20 juli 2009 naar voren dat aan de rug- en nekklachten mogelijk een andere oorzaak ten grondslag ligt dan waarvan de verzekeringsartsen zijn uitgegaan, maar dat betekent niet dat daarom door dezen onvoldoende beperkingen zijn vastgesteld. De belastbaarheid voor arbeid in het kader van de WAO wordt immers vastgesteld door de objectief medisch vastgestelde beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek en wordt niet bepaald door de diagnose. Omdat uit de overige in het dossier opgenomen informatie, waaronder ook de brief van psychiater P. Martens van 16 februari 2010, niet bleek van meer beperkingen dan door de verzekeringsartsen was aangenomen, oordeelde de rechtbank dat door dezen niet te geringe medische beperkingen, zoals neergelegd in de FML van 9 januari 2009, zijn vastgesteld.


5.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 1 stelde de rechtbank vast dat door het Uwv in beroep de functie medewerker logistiek (sbc-code 111220) bij nader inzien niet passend werd geacht, maar dat de schatting kon worden gedragen door de functies monteur/monteuse (behorend tot de sbc-codes 267050), electronica monteur (sbc-code 267040) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), hetgeen leidde tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 49,96%, dus vallend in de klasse van 45 tot 55%. De rechtbank achtte de medische geschiktheid van deze functies voldoende gemotiveerd. Omdat het Uwv bij het bestreden besluit 1 niet de juiste uitlooptermijn in acht had genomen, besliste de rechtbank zoals hiervoor in (de eerste alinea van) overweging 4 aangegeven.


6.1. Wat betreft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 2 stelde de rechtbank vast dat het Uwv aan dat bestreden besluit 2 ten onrechte artikel 36 van de WAO ten grondslag had gelegd in plaats van artikel 39, eerste lid, aanhef en onder c, van de WAO. Vanwege deze onjuiste wettelijke grondslag verklaarde de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond en vernietigde zij dat bestreden besluit 2. Vervolgens beoordeelde de rechtbank of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 in stand konden worden gelaten.


6.2. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit 2 was de rechtbank van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. Uit de beschikbare medische informatie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de medische situatie van appellant op 29 april 2009 wezenlijk anders was dan op 3 april 2009. Door de verzekeringsartsen was voldoende gemotiveerd aangegeven waarom zij in de door appellant geclaimde (toegenomen) klachten en beperkingen geen aanleiding hebben gezien om – naast de in bezwaar aangenomen extra beperking ten aanzien van (verhoogd) persoonlijk risico – bijkomende en/of verdergaande beperkingen aan te nemen per 29 april 2009. Naar het oordeel van de rechtbank bood de beschikbare medisch informatie onvoldoende aanknopingspunten om die visie van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Wat betreft de in beroep overgelegde informatie van de neuroloog Van Zagten verwees de rechtbank naar hetgeen hiervoor in overweging 5.1 is weergegeven. De rechtbank concludeerde vervolgens dat de verzekeringsartsen bij appellant op 29 april 2009 niet te geringe beperkingen hebben vastgesteld, zodat de medische grondslag van bestreden besluit 2 voor juist moet worden gehouden.


6.3. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 2 was de rechtbank van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige genoegzaam heeft toegelicht waarom de uiteindelijk aan de eerdere schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant ook op 29 april 2009 nog geschikt zijn te achten en dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per laatstgenoemde datum ongewijzigd lag in de klasse 45 tot 55%. Daarom besliste de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 geheel in stand konden blijven.


7. In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de eerder in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. Appellant heeft verzocht te bepalen dat de hem toegekende WAO-uitkering niet per 3 april 2009 wordt herzien en subsidiair dat deze met ingang van 29 april 2009 weer wordt toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Ten slotte heeft appellant gewezen op het feit dat hem met ingang van 6 september 2010 een ZW-uitkering is toegekend en dat hem wegens niet aflatende pijnklachten op 16 november 2010 een ruggenprik is toegediend, welke overigens niet tot vermindering van de klachten heeft geleid.


8.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep is beperkt tot het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van en de medische geschiktheid van de uiteindelijk in aanmerking genomen functies bij de herziening van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 3 april 2009 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en de ongewijzigde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 april 2009.


8.2. Wat betreft de medische grondslag van de bestreden besluiten 1 en 2 heeft de Raad geen aanknopingspunten gezien voor een ander oordeel dan de rechtbank. Hij stemt in met hetgeen de rechtbank daarover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. In hoger beroep zijn geen medische gegevens overgelegd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant meer dan wel zwaardere beperkingen had op de beide data in geding, 3 en 29 april 2009, dan door de verzekeringsartsen is aangenomen. De enkele mededelingen dat aan appellant met ingang van 6 september 2010 (opnieuw) een

ZW-uitkering is toegekend en dat hem een op 16 november 2010 een ruggenprik is toegediend zijn daarvoor onvoldoende.


8.3. Ook wat betreft de medische geschiktheid van de functies waarop de bestreden besluiten 1 en 2 uiteindelijk zijn gebaseerd, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor een ander oordeel dan het ook in dit opzicht uitvoerig gemotiveerd oordeel van de rechtbank.


8.4. De overwegingen 8.1 tot en met 8.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.


9. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2011.


(get.) C.W.J. Schoor.


(get.) D.E.P.M. Bary.


IvR