Centrale Raad van Beroep, 22-04-2011 / 08-6245 TRP


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2211

Inhoudsindicatie
Geen recht op een eenmalige TRP-uitkering. Bevoegdheid Raad. De TRP is niet in strijd met een of meer regels van geschreven recht of ongeschreven recht, daaronder begrepen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De TRP is op uitdrukkelijke wens van, en in overleg met, de Tweede Kamer tot stand gekomen, waarbij geen aanleiding is gezien om de regeling aan te passen door bijvoorbeeld een hardheidsclausule op te nemen. In de situatie van betrokkene zijn geen, niet al in de eerdere afweging door de regelgever meegenomen, bijzondere omstandigheden en belangen aan de orde. Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit heeft vernietigd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-04-22
Publicatiedatum
2011-04-26
Zaaknummer
08-6245 TRP
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/6245 TRP



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 september 2008, 08/283 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen


[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)


en


appellant.



Datum uitspraak: 22 april 2011



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg en F.M. Aalders. Voor betrokkene is verschenen mr. R.A. Wijnands, advocaat te Schinnen.


Tevens is daar verschenen de door betrokkene meegebrachte getuige J.H. Kijk in de Vegte, accountant gevestigd te Amstenrade.



II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 20 november 2007 heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat hij geen recht heeft op een eenmalige uitkering op basis van de Tijdelijke Regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening (Stcrt. 2006, 243, gewijzigd bij Regeling van 27 augustus 2007, Stcrt. 2007, 170, hierna: TRP), omdat zijn verzamelinkomen over 2005 hoger was dan € 12.822,–.


1.2. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 10 januari 2008 (hierna: bestreden besluit).


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat het verzamelinkomen van betrokkene in het jaar 2005 boven de in de TRP neergelegde norm ligt. Deze overschrijding is veroorzaakt door het feit dat aan betrokkene in dat jaar door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen een eenmalige nabetaling is gedaan in verband met ten onrechte niet betaalde toeslag op de uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsuitkering zelfstandigen in de periode van 31 mei 1993 tot 1 september 2005. Op deze nabetaling heeft betrokkene geen enkele invloed kunnen uitoefenen. De rechtbank is van oordeel dat buiten twijfel is dat betrokkene behoort tot de in de TRP beoogde doelgroep, als de eenmalige nabetaling buiten beschouwing wordt gelaten. Onder deze omstandigheden druist het weigeren van de tegemoetkoming zozeer in tegen hetgeen met de invoering van de TRP is beoogd, dat daarin in dit bijzondere geval grond moet worden gevonden strikte toepassing van deze regeling achterwege te laten. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en de Svb opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.


3. In hoger beroep heeft appellant dit oordeel bestreden. Appellant heeft erop gewezen dat door de Minister juist is gekozen voor een regeling die het minst bezwaarlijk is vanuit het oogpunt van uitvoerbaarheid. Om de uitvoering zo eenvoudig mogelijk te houden is gekozen voor één drempelbedrag. Voor het verzamelinkomen uit 2005 is gekozen omdat door een vergelijking met de gegevens van de Belastingdienst appellant eenvoudig het verzamelinkomen kon vaststellen, zonder zelf nader onderzoek te doen of berekeningen uit te voeren.


4. De Raad dient in de eerste plaats te bezien of hij bevoegd is van het onderhavige hoger beroep kennis te nemen. De Raad stelt vast dat de TRP niet is opgenomen in de bij de Beroepswet behorende bijlage. Dit houdt in beginsel in dat de Raad niet bevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen, tenzij zou moeten worden gezegd dat de TRP een zodanige verwantschap heeft met de op genoemde bijlage geplaatste dan wel anderszins aan de Raad toebedeelde wetten en regelingen, dat aan de Raad desondanks de bevoegdheid zou dienen toe te komen in hoger beroep te oordelen over het geschil. Naar het oordeel van de Raad doet deze situatie zich hier voor. De onderhavige regeling vertoont duidelijke aanknopingspunten met de wetten en regelingen op het gebied van (bijstands)uitkeringen welke tot de rechtsmacht van deze Raad behoren.


5. Ten aanzien van het eigenlijke geschil in hoger beroep overweegt de Raad als volgt.


5.1. De TRP is een regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 december 2006. De regeling is getroffen om tegemoet te komen aan de door de Tweede Kamer geuite wens een regeling te treffen voor een groep mensen die gescheiden is voor 27 november 1981 en geen gebruik kan maken van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. De regeling hield in dat, als aan een aantal vereisten was voldaan, een rechthebbende in aanmerking kwam voor een eenmalige tegemoetkoming van € 4.500,–. Eén van de voorwaarden, genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de TRP waaraan moest zijn voldaan, was dat het verzamelinkomen in 2005 lager moest zijn dan twaalf maal 110% van het bruto-ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 9, zesde lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet inclusief de netto-vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van die wet zoals dat geldt op 1 juli 2005. Dit komt neer op het al genoemde bedrag van € 12.822,–. Voor het verzamelinkomen uit 2005 is gekozen omdat dit (in 2007) het laatste jaar was waarin de Belastingdienst de definitieve aanslagen had vastgesteld. Door een vergelijking met de gegevens van de Belastingdienst kon de Svb eenvoudig het verzamelinkomen vaststellen, zonder zelf nader onderzoek te doen of berekeningen uit te voeren.


5.2.1. De Minister, die, zoals uit de parlementaire behandeling blijkt, zelf geen voorstander was van het treffen van onderhavige regeling, maar aan de wens van de Tweede Kamer is tegemoet gekomen, is tot een regeling gekomen die grofmazig was en het minst bezwaarlijk was vanuit het oogpunt van maatschappelijke aanvaardbaarheid en uitvoerbaarheid.


5.2.2. Juist vanwege de grofmazigheid ontstonden in de uitvoeringspraktijk gevolgen waarvan niet op voorhand duidelijk was of die bedoeld en wenselijk waren. Zo heeft de wethouder Werk, Sociale Zaken en Grotestedenbeleid van Rotterdam de minister gevraagd de TRP tegemoetkoming ook toe te kennen aan personen die in 2005 alleen een WWB-uitkering voor een alleenstaande ontvingen. De Minister heeft niet tegemoet willen komen aan deze wens. In een brief van 16 juli 2007 (kenmerk AV/PB/07/21004) heeft de Minister het volgende geantwoord:

“Om de uitvoering van de regeling zo eenvoudig mogelijk te houden is gekozen voor één drempelbedrag. Omdat het fiscale regiem voor mensen onder de 65 jaar en voor mensen van 65 jaar en ouder verschilt, moeten er aparte bedragen voor beide categorieën worden gehanteerd. Uitbreiding met de door u voorgestelde doelgroep zou de uitvoering complexer maken en de regeling duurder.


Zoals u in uw brief opmerkt is de tegemoetkoming bedoeld voor de minder bedeelde alleenstaande ouderen onder ons. Het inkomen van iemand, die in 2005 nog niet pensioengerechtigd was, zegt nog niets over het inkomen dat na de pensioengerechtigde leeftijd wordt genoten, omdat eventuele aanvullende pensioenen op dat moment nog niet zijn ingegaan. Ook bij bijstandsgerechtigden kan dit het geval zijn.”


5.2.3. Ook in de Tweede Kamer is aandacht gevraagd voor de gevolgen van de regeling in bepaalde gevallen. Op vragen van de fractie van het CDA bij de behandeling van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het jaar 2008 (31 200 XV) heeft de minister onder andere geantwoord (brief van 12 december 2007, kenmerk BSG/2007/37036) dat het kabinet zich realiseert dat de regeling grofmazig is, maar dat dit onvermijdelijk is omdat zij anders onuitvoerbaar zou zijn. In genoemde brief is opnieuw uiteengezet waarom van het jaar 2005 is uitgegaan als peiljaar van het verzamelinkomen. Tevens is opnieuw benadrukt dat vastgehouden wordt aan de hoogte van het verzamelinkomen, ook indien iemand in 2005 slechts een bijstandsuitkering voor een alleenstaande ontving. In een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 3 december 2007 (kenmerk AV/PB/07/39869) heeft de Minister onder meer gesteld dat het kabinet zich, bij het vaststellen van voorwaarden van de regeling, heeft gerealiseerd dat er door de grofmazige regeling enerzijds mensen zijn die buiten de regeling vallen die er naar hun mening wel voor in aanmerking zouden moeten komen, en anderzijds mensen die wel binnen de criteria van de regeling vallen, maar die daar eigenlijk geen aanspraak op zouden mogen maken.


5.3. Tussen partijen is niet in geding dat het verzamelinkomen van betrokkene in 2005 boven de gestelde norm lag. Uit de tekst van de TRP volgt dat betrokkene daarom geen recht heeft op de eenmalige uitkering. Uit de rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 6 februari 2008, LJN BC4713, volgt dat aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van een algemeen verbindend voorschrift zodanig ernstige gebreken kunnen kleven dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren beslissingen. De rechter dient daarbij te beoordelen of het desbetreffende voorschrift al dan niet in strijd komt met een of meer regels van geschreven recht of ongeschreven recht, daaronder begrepen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij die beoordeling zal hij gezien zijn staatsrechtelijke positie de nodige terughoudendheid dienen te betrachten. Daarbij is tevens van belang dat uit de rechtspraak van de Raad, zie de uitspraak van 2 september 1998, LJN AA8788, volgt dat de rechter niet treedt in een belangenafweging welke reeds door de wet- en regelgever is verricht of geacht moet worden te zijn verricht.


5.4. De Raad is van oordeel dat aan de TRP niet de in 5.3 genoemde ernstige gebreken kleven. Zoals uit 5.2.1 tot en met 5.2.3 blijkt is de regeling op uitdrukkelijke wens van, en in overleg met, de Tweede Kamer tot stand gekomen. Tevens blijkt daaruit dat is onderkend dat, met name als gevolg van de grofmazigheid van de regeling, door toevallige wijzingen in het inkomen in het jaar 2005, mensen niet voor een eenmalige uitkering in aanmerking komen die zelf van oordeel zijn daar, gelet op de ratio van de regeling, wel recht op te hebben, maar dat dit geen aanleiding is de regeling aan te passen door bijvoorbeeld een hardheidsclausule op te nemen. Naar het oordeel van de Raad kan niet gezegd worden dat deze keus, gelet op de aard van de regeling, zodanig onredelijk is dat de regelgever deze niet had mogen maken.


5.5. Ter beoordeling staat dan nog slechts de vraag de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat desondanks de toepassing van de TRP in het concrete geval van betrokkene tot onaanvaardbare gevolgen heeft geleid. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. In de situatie van betrokkene zijn geen, niet al in de eerdere afweging door de regelgever meegenomen, bijzondere omstandigheden en belangen aan de orde. Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit heeft vernietigd.


5.6. Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden en dat het beroep alsnog ongegrond verklaard moet worden.


6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2011.



(get.) M.M. van der Kade.



(get.) M.A. van Amerongen.




EK