Centrale Raad van Beroep, 14-04-2011 / 10-2389 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2307

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om herziening: appellant heeft geen feiten en omstandigheden in het geding gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw daglicht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan. Geen sprake van oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Ook voor de Raad staat op grond van alle voorhanden zijnde gegevens voldoende vast dat de invallen door de Indonesiërs hebben plaatsgevonden na de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-04-14
Publicatiedatum
2011-04-26
Zaaknummer
10-2389 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/2389 WUBO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)


Datum uitspraak: 14 april 2011


I. PROCESVERLOOP


Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomen geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.


Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 maart 2010, kenmerk BZ 9281, JZ/P60/2010. Dit besluit is genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo), verder: bestreden besluit.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2011. Daar is appellant verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. Ter zitting zijn als getuigen verschenen en gehoord [naam vader], de vader van appellant, wonende in Australië en [naam nicht], een nicht van appellant, wonende te [plaatsnaam].


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant, geboren in 1948 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in oktober 2008 bij verweerder een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Bij besluit van 17 december 2008 heeft verweerder op de aanvraag afwijzend beslist. Hierbij is overwogen dat de bedreiging door pemoeda’s in Bandoeng en Batavia niet onder de werking van de Wubo valt omdat niet is gebleken dat er daarbij sprake was van daadwerkelijk tegen appellant gericht geweld. Met betrekking tot de huiszoeking door een pemoeda waarbij het zusje [naam zusje] uit de wieg werd getrokken is geoordeeld dat deze evenmin tegen appellant was gericht een niet gepaard ging met excessief geweld.


1.2. In juni 2009 heeft appellant zich tot verweerder gewend met een verzoek het eerdere besluit te herzien. Dat verzoek heeft verweerder afgewezen bij besluit van 15 september 2009, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het betreden besluit. Hierbij is overwogen - samengevat - dat er geen redenen zijn het eerdere besluit te herzien omdat is gebleken dat de invallen door Indonesiërs hebben plaatsgevonden na de soevereiniteitsoverdracht van het Nederlands-Indië en om die reden niet onder de werkingsfeer van de Wubo vallen.


1.3. In beroep bestrijdt appellant het oordeel van verweerder dat de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden na de soevereiniteitsoverdracht.


2. De Raad overweegt als volgt.


2.1. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen met zich brengt dat de Raad het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of door appellant feiten en omstandigheden in het geding zijn gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw daglicht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.


2.2. Van dergelijke gegevens is ook de Raad ook niet gebleken. Het is voor de Raad voldoende duidelijk dat de inval door de Indonesiërs waarbij het zusje [naam zusje] uit de wieg is getrokken, gepaard is gegaan met (excessief) geweld. Dit kan echter niet tot het oordeel leiden dat er sprake is geweest van oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Ook voor de Raad staat op grond van alle voorhanden zijnde gegevens voldoende vast dat de invallen door de Indonesiërs hebben plaatsgevonden na de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië. Dit blijkt duidelijk uit recente en gedetailleerde verklaringen van de vader en de moeder van appellant die zich onder de gedingstukken bevinden. In beide verklaringen is deze gebeurtenis geplaatst in de periode na het ontslag van de vader van appellante en dus na de overdracht. Weliswaar heeft de vader van appellant ter zitting verklaard dat hij zich voor wat betreft de tijdsaanduiding heeft vergist, maar de Raad acht dit gezien genoemde eerdere verklaringen onvoldoende overtuigend. Hierbij wordt ook in aanmerking genomen dat de nicht van appellant - onweersproken - heeft verklaard dat appellant ten tijde van het gebeuren bijna 3 jaar oud was. Dat duidt erop de gebeurtenissen niet voor 1950 hebben plaatsgevonden.


3. Gelet op het voorgaande kan het besluit van verweerster om niet tot herziening over te gaan de terughoudende toetsing van de Raad doorstaan. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.


4. De Raad acht, tot slot, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2011.


(get.) A. Beuker-Tilstra.


(get.) B. Bekkers.


HD