Centrale Raad van Beroep, 27-04-2011 / 10-3847 WIA


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2728

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-04-27
Publicatiedatum
2011-04-28
Zaaknummer
10-3847 WIA
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/3847 WIA


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudig kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 juni 2010, 09/3941(hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 27 april 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. L. Veenstra, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2011. Appellante is - zoals aangekondigd - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.


II. OVERWEGINGEN


1. Appellante was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster voor gemiddeld ruim 16 uren per week. Op 4 juni 2007 is zij voor dat werk uitgevallen met diverse lichamelijke klachten. Op haar aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 17 maart 2009 afwijzend beslist, omdat appellante per 1 juni 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen geschikt is voor het verrichten van werkzaamheden in passende functies zonder verlies aan verdiencapaciteit. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte besluit is bij besluit van 24 augustus 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat niet is gebleken dat appellante op de datum in geding andere of verdergaande beperkingen heeft dan zijn vastgesteld door het Uwv. Appellante heeft geen medische stukken overgelegd waaruit een andere conclusie zou volgen. Ook uit het rapport van internist dr. K.J. Parlevliet van 9 juli 2009 volgt niet dat er meer beperkingen bestonden op de in geding zijnde datum. Appellante moet in staat worden geacht op die datum arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank acht voldoende gemotiveerd dat de (resterende) functies passend zijn.


3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat zij niet in staat is de geduide functies te vervullen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij in het geding gebracht een schrijven van 22 april 2010 van nefroloog E. de Beus.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Met betrekking tot de medische beoordeling van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Ook de Raad is uit het geheel van de voorliggende medische gegevens niet gebleken dat de artsen van het Uwv bij de vaststelling van de beperkingen, neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), onvoldoende rekening hebben gehouden met de bij appellante geconstateerde diverse lichamelijke klachten en de gevolgen die deze klachten hebben voor de belastbaarheid van appellante per de datum hier in geding, 1 juni 2009.


4.2. Naar aanleiding van de namens appellante aangevoerde medische gronden in hoger beroep heeft het Uwv bij verweerschrift het volgende commentaar van bezwaarverzekeringsarts R.R. van den Enden van 16 juli 2010 in het geding gebracht:

Op datum in geding dd 01-06-2009 was cliënte niet in behandeling bij de nefroloog. Zij was bij de internist bekend met een goed ingestelde diabetes, een moeilijk in te stellen hypertensie en een verslechterde nierfunctie (brief interniste 09-07-2009, nierklaring toen 44 ml/min). In het schrijven van mw Beus wordt geen nieuwe medische diagnose gesteld. Wel blijkt dat er inmiddels sprake is van de latere, in het voorschrijdend ziekteproces opgetreden complicaties van de per datum in geding vastgestelde medische aandoeningen, zoals een verdere achteruitgang van de nierfunctie en een perifere diabetische neuropathie (aan de voeten). Deze latere complicaties, die de nefrologe op 22-04-2010 beschrijft, die nu alsnog in hoger beroep worden ingebracht, waren op datum in geding dus in het geheel nog niet aanwezig en toen ook nog niet medisch vaststelbaar. Aldus zie ik geen reden om de FML van 18-02-2009 per 01-06-2009 aan te passen.” Het Uwv heeft dit commentaar onderschreven. De Raad volgt het Uwv hierin. De Raad heeft in de voorhanden medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden voor een andersluidend medisch oordeel met betrekking tot datum in geding dan in dit commentaar is neergelegd. In dat verband wijst de Raad erop dat er van de zijde van appellante geen nadere reactie meer is gegeven met betrekking tot haar gezondheidstoestand op de hier bedoelde datum.


4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen per 1 juni 2009 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de (resterende) functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. Ook de Raad is van oordeel dat een als genoegzaam aan te merken onderbouwing is gegevens aan de geschiktheid van deze functies.


4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

27 april 2011.



(get.) T. Hoogenboom.



(get.) T.J. van der Torn.



JL