Centrale Raad van Beroep, 27-04-2011 / 10-3486 Z W


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2744

Inhoudsindicatie
Intrekking uitkering ingevolge de ZW. Dit besluit is gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek waarbij is vastgesteld dat betrokkene niet ongeschikt is voor ten minste één van de in het kader van de WAO-beoordeling voor haar geselecteerde functies. De beroepsgrond van betrokkene dat ten onrechte slechts de functie van telefonist/receptionist en niet de overige destijds geselecteerde functies zijn beoordeeld faalt derhalve. Betrokkene heeft verder niet bestreden dat deze functie voor haar geschikt is.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-04-27
Publicatiedatum
2011-04-27
Zaaknummer
10-3486 Z W
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/3486 ZW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2010, 09/3227 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 27 april 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat te Soest, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2011.

Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visch.


II. OVERWEGINGEN


1. De aan appellante met ingang van 16 augustus 1999 toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, is met ingang 21 april 2006 ingetrokken, omdat appellante niet langer arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van deze wet.


2. Appellante heeft zich op 16 april 2007 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet weer ziek gemeld.


3.1. Bij besluit van 16 november 2007is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 23 november 2007 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Dit besluit is gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek waarbij is vastgesteld dat appellante niet ongeschikt is voor ten minste één van de in het kader van de WAO-beoordeling voor haar geselecteerde functies


3.2. Bij besluit van 30 januari 2008 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 november 2007 ongegrond verklaard.


3.3. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 2 april 2009 het onder 3.2 vermelde besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen.


4. Bij besluit van 3 juni 2009 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard.


5. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.


6.1. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank en heeft terzake nog het volgende overwogen. Ingevolge artikel 19, eerste lid en vierde lid ,van de Ziektewet heeft de verzekerde – voorzover hier van belang - bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige inzoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximum-termijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO. Het vorenstaande betekent dat terzake van het ziektegeval van 16 april 2007 als maatstaf dient te worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies die voor appellante in het kader van de WAO in 2006 als geschikt konden worden aangemerkt. Nu evenvermelde concretisering in het kader van de WAO betekent, dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder “zijn” arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk.


6.2. De beroepsgrond van appellante dat ten onrechte slechts de functie van telefonist/ receptionist en niet de overige destijds geselecteerde functies zijn beoordeeld faalt derhalve. Appellante heeft verder niet bestreden dat deze functie voor haar geschikt is.


7. Uit hetgeen is overwogen onder 6.1 en 6.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


8. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011.


(get.) Ch. van Voorst.


(get.) M. Mostert.


TM