Centrale Raad van Beroep, 12-04-2011 / 09-3977 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3205

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstandsuitkering. Geen redelijke grond voor huisbezoek. Aan het niet meewerken aan dat huisbezoek kan derhalve niet het gevolg worden verbonden van intrekking van de bijstand. Vernietiging bestreden besluit.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-04-12
Publicatiedatum
2011-05-03
Zaaknummer
09-3977 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2011/147
Uitspraak

09/3977 WWB

09/3978 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant] en [Appellante], beiden wonende [woonplaats]


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 juni 2009, 08/1141 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellanten


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)


Datum uitspraak: 12 april 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellanten ontvingen sinds 1 oktober 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden.


1.2. Naar aanleiding van een op 3 augustus 2007 ontvangen fraudemelding van Team Vleuten-De Meern dat uit de bankafschriften van de Rabobankrekening van appellanten (hierna: bankafschriften) onder meer blijkt dat sprake is van nogal wat transacties die gerelateerd zijn aan de internetsite [M].nl, heeft Team Handhaving van de gemeente Utrecht (hierna: team handhaving) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft team handhaving de bankafschriften over de periode van 24 januari 2006 tot en met medio april 2007 onderzocht en getracht op 8 november 2007 een onaangekondigd huisbezoek af te leggen op het woonadres van appellanten, [naam straat] Appellant heeft geweigerd zijn medewerking aan dit huisbezoek te verlenen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 november 2007.


1.3. Bij besluit van 9 november 2007 heeft het College de bijstand van appellanten met ingang van 8 november 2007 beëindigd (lees: ingetrokken). Het College heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellanten door niet mee te werken aan het noodzakelijk geachte huisbezoek niet de inlichtingen hebben verstrekt die van belang zijn voor de (voortzetting van de) bijstandsverlening met als gevolg dat het recht op bijstand per 8 november 2007 niet meer kan worden vastgesteld.


1.4. Bij besluit van 28 februari 2008 heeft het College het besluit van 9 november 2007 gehandhaafd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 februari 2008 ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Zij hebben onder meer aangevoerd dat van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek in hun woning geen sprake was.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De Raad stelt vast dat bij besluit van 9 november 2007 de bijstand van appellanten is ingetrokken met ingang van 8 november 2007. Aangezien het College de intrekking van bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode, bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter, naar vaste rechtspraak van de Raad, de periode tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 8 tot en met 9 november 2007.


4.2. Artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB. Indien de belanghebbende deze inlichtingen- en medewerkingsverplichting niet of niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan naar vaste rechtspraak de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.


4.3. Aan het niet meewerken aan een huisbezoek kunnen eerst gevolgen worden verbonden in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 november 2010, LJN BO7274). Naar vaste rechtspraak van de Raad is van een dergelijke grond sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door de betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd (zie onder meer de uitspraak van 24 november 2009, LJN BK4057).


4.4. Het College stelt zich op het standpunt dat een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek op 8 november 2007 was gelegen in het vermoeden van inkomsten uit handel op basis van een onderzoek naar de bankafschriften van appellanten. In het rapport van 12 november 2007 wordt in dit verband gewezen op de mogelijke aanwezigheid van handelswaar in de woning van appellanten en/of van een luxe inrichting van de woning voortvloeiend uit de besteding van mogelijke inkomsten uit handel of andere inkomsten.


4.5. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat een redelijke grond voor een huisbezoek in de woning van appellanten op 8 november 2007 ontbrak. Nog daargelaten of hetgeen onder 4.4 is overwogen concrete objectieve feiten en omstandigheden betreft op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door de appellanten omtrent hun woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, had de door het College verlangde duidelijkheid ten aanzien van eventuele inkomsten uit handel op een andere effectieve en voor appellanten minder belastende wijze kunnen worden verkregen en geverifieerd. Hierbij acht de Raad van betekenis dat uit het rapport van 12 november 2007, de bankafschriften en hetgeen hierover door de vertegenwoordiger van het College naar voren is gebracht blijkt dat het vermoeden van handel enkel was gerezen naar aanleiding van transacties op de bankrekening van appellanten in de periode van 15 februari 2006 tot en met 27 april 2007. Nu deze periode is gelegen ruim anderhalf jaar voor de datum van het huisbezoek op 8 november 2007, en ook de overige inkomsten op de bankrekening in de periode van 24 januari 2006 tot en met 1 april 2007 en de stortingen op de bankrekening in de periode van 28 januari 2006 tot en met 28 februari 2007 dateren van ruim voor de datum van het huisbezoek, is de Raad van oordeel dat het College had moeten volstaan met een minder ingrijpend middel dan een onaangekondigd huisbezoek, bijvoorbeeld door appellanten eerst uit te nodigen voor een gesprek op kantoor.


4.6. Aangezien, zoals hiervoor overwogen, voor het afleggen van een huisbezoek op 8 november 2007 in de woning van appellanten geen redelijke grond bestond, kan aan het niet meewerken aan dat huisbezoek niet het gevolg worden verbonden van intrekking van de bijstand per 8 november 2007. Het besluit van 28 februari 2008 mist dus een deugdelijke grondslag.


4.7. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 28 februari 2008 vernietigen wegens een onjuiste toepassing van artikel 17, tweede lid, van de WWB. De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het besluit van 9 november 2007 te herroepen, omdat aan dat besluit hetzelfde en niet te herstellen gebrek kleeft.


5. Aangezien het besluit van 9 november 2007 wordt herroepen dient het College vanaf die dag de bijstandsverlening voort te zetten. Met betrekking tot daardoor ontstane betalingsverplichtingen van het College dient het verzoek van appellanten om toekenning van vergoeding van de wettelijke rente te worden toegewezen. Volgens vaste rechtspraak neemt de Raad omwille van een praktische en eenvormige rechtstoepassing tot uitgangspunt dat het juiste bedrag aan periodieke bijstand had moeten zijn uitbetaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand waarop die bijstand betrekking heeft. In dit geval is de bijstand over de hierboven genoemde maand niet correct uitbetaald. Dit betekent dat de eerste dag waarop over de niet tijdig betaalbaar gestelde bruto-uitkering over deze maand wettelijke rente is verschuldigd, dient te worden gesteld op 1 januari 2008 en wel tot de dag van algehele voldoening. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb te bepalen dat aan appellanten overeenkomstig het voorgaande een vergoeding van de wettelijke rente wordt toegekend.


6. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de kosten van bezwaar van appellant en zijn proceskosten. Deze worden begroot op € 644,--, in bezwaar, € 322,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 28 februari 2008;

Herroept het besluit van 9 november 2007;

Veroordeelt het College tot vergoeding van schade, te berekenen op de wijze als in overweging 5 van deze uitspraak is bepaald;

Veroordeelt het College in de kosten van appellanten tot een bedrag van in totaal € 1.610,--;

Bepaalt dat het College aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2011.


(get.) R.H.M. Roelofs.


(get.) N.M. van Gorkum.


HD