Centrale Raad van Beroep, 03-05-2011 / 09/1833 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4033

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Het kweken van hennep(stekjes) moet naar zijn aard worden aangemerkt als een activiteit waarmee (veel) geld wordt verdiend. De kweekactiviteiten zijn daarom onmiskenbaar van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand en hadden door appellant gemeld moeten worden. Ook het verrichten van werkzaamheden, gericht op het opzetten en in bedrijf houden van een (stekken)kwekerij, moet worden aangemerkt als een omstandigheid die van belang is voor de verlening van bijstand. Aangezien controleerbare gegevens over de met de werkzaamheden en de hennepkwekerij verworven inkomsten ontbreken, kan het recht op bijstand niet meer worden vastgesteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-05-03
Publicatiedatum
2011-05-11
Zaaknummer
09/1833 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/1833 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 26 februari 2009, 08/2889 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)


Datum uitspraak: 3 mei 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M. Timmermans, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2011. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontvangt sinds 16 mei 2003 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.


1.2. Op 13 januari 2008 heeft de politie in de destijds door appellant bewoonde woning aan de [adres 1] te [gemeente] een hennepkwekerij aangetroffen, met onder meer vijf grote en zeven kleine hennepplanten en 181 stekjes. Dit heeft geleid tot een onderzoek door het Team Fraudebestrijding van de sector Sociale Zaken van Publiekszaken Tilburg naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 3 maart 2008.


1.3. De onderzoeksbevindingen waren voor het College aanleiding om bij besluit van 3 maart 2008 de bijstand van appellant over de periode van 1 december 2007 tot en met 15 januari 2008 op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.933,97 van appellant terug te vorderen. Bij besluit van 29 mei 2008 heeft het College het door appellant tegen het besluit van 3 maart 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit tot intrekking van de bijstand is gehandhaafd op de grond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


2. Bij de aanvallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 mei 2008 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak - samengevat - gemotiveerd uiteengezet op grond waarvan naar haar oordeel het na bezwaar gehandhaafde besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand van appellant in rechte stand kan houden. De rechtbank is daarbij ingegaan op de door appellant naar voren gebrachte stellingen. Gelet op het aantal aangetroffen planten acht de rechtbank het niet aannemelijk dat appellant alleen voor eigen gebruik kweekte. Het kweken van hennep(stekjes) moet volgens de rechtbank naar zijn aard worden aangemerkt als een activiteit waarmee (veel) geld wordt verdiend. De kweekactiviteiten zijn daarom onmiskenbaar van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand en hadden door appellant gemeld moeten worden. Ook het verrichten van werkzaamheden, gericht op het opzetten en in bedrijf houden van een (stekken)kwekerij, moet worden aangemerkt als een omstandigheid die van belang is voor de verlening van bijstand. De rechtbank is van oordeel dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Aangezien controleerbare gegevens over de met de werkzaamheden en de hennepkwekerij verworven inkomsten ontbreken, kan het recht op bijstand niet meer worden vastgesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het College bevoegd was de bijstand van appellant in te trekken en terug te vorderen.


4.2. De Raad onderschrijft volledig het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. In hetgeen in hoger beroep – bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg – is aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om in andere zin dan de rechtbank te oordelen.


4.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2011.


(get.) O.L.H.W.I. Korte.


(get.) I. Mos.



HD