Centrale Raad van Beroep, 28-04-2011 / 09-6422 AW


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4136

Inhoudsindicatie
Weigering vergoedingen. Geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-04-28
Publicatiedatum
2011-05-12
Zaaknummer
09-6422 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/6422 AW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2009, 08/4676 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)


Datum uitspraak: 28 april 2011


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2011. Namens appellant is verschenen mr. G. Taijiou, advocaat te Brunssum. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.G. de Wit en [C.], beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.


II. OVERWEGINGEN


1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant was werkzaam bij de gemeente Amsterdam als wagenbestuurder voor 36 uur per week. Van 1 januari 2001 tot 15 april 2006 was hij voor 40 uur per week gedetacheerd bij Tours and Travel Services B.V. (hierna: TTS). Bij besluit van

10 april 2003 is aan appellant met ingang van 1 januari 2003 een persoonlijke toelage toegekend ter hoogte van het verschil in bezoldiging tussen 40 uur per week en 36 uur per week. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. In verband met de beëindiging van de detachering bij TTS met ingang van 15 april 2006 is de uitbetaling van de desbetreffende persoonlijke toelage per 1 mei 2006 stopgezet. Ook hiertegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Per 1 januari 2007 is aan appellant strafontslag verleend.


1.2. Op 5 juli 2006 heeft appellant het college verzocht om toekenning van een wachtdiensttoeslag en tijdsvergoeding met ingang van 1 maart 2002. Bij e-mailbericht van 5 februari 2007 heeft appellant hier nogmaals om verzocht, ditmaal met ingang van februari 2001. Verder heeft appellant in dit bericht onder meer verzocht om toekenning van een persoonlijke toelage tot een 40-urig dienstverband ofwel een overwerktoeslag van vier uur per week met ingang van 1 januari 2001, een vergoeding voor het gebruik van zijn auto ten behoeve van woon-werkverkeer en een vergoeding voor het werken op erkende feestdagen.


1.3. Bij besluit van 13 mei 2008 heeft het college geweigerd om de onder 1.2 genoemde vergoedingen toe te kennen. Het door appellant daartegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 5 november 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen zijn salarisspecificaties en dat de verzoeken moeten worden aangemerkt als verzoeken om terug te komen van onherroepelijk geworden besluiten. Het college heeft aangenomen dat appellant geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht en heeft de verzoeken met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.


3.1. Appellant heeft onder meer verzocht om toekenning van een persoonlijke toelage tot een 40-urige werkweek ofwel een overwerktoeslag van vier uur per week met ingang van 1 januari 2001. De Raad stelt vast dat bij het onder 1.1 vermelde besluit van 10 april 2003 een dergelijke toeslag is toegekend met ingang van 1 januari 2003. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit en heeft aldus berust in de bij dit besluit vastgestelde ingangsdatum. Het college heeft dit verzoek daarom terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit.


3.2. Uit artikel 4:6 van de Awb volgt dat van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een in rechte vaststaand besluit terug te komen, mag worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die een dergelijk terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.


3.3. Met de rechtbank en het college is de Raad van oordeel dat het onder 3.1 bedoelde verzoek niet berust op nieuw gebleken feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De door appellant in dit verband genoemde omstandigheid dat hem inmiddels per 1 januari 2007 ontslag was verleend, kan niet als zodanig worden aangemerkt. Daarvan uitgaande kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het college niet in redelijkheid tot afwijzing van dit verzoek heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.


3.4. Met betrekking tot de overige onder 1.2 vermelde verzoeken van appellant overweegt de Raad het volgende. Het is niet gebleken dat appellant al eerder dan op 5 februari 2007 dergelijke verzoeken bij het college heeft ingediend. Het had op de weg van appellant gelegen om zijn stelling op dit punt met bewijsstukken te onderbouwen. Dit brengt mee dat appellant moet worden geacht (aanvankelijk) te hebben berust in hetgeen hem gedurende zijn detachering aan salaris en bijkomende vergoedingen is verstrekt. De op 5 februari 2007 - geruime tijd na afloop van de detachering - ingediende verzoeken moeten daarom naar het oordeel van de Raad op één lijn worden gesteld met verzoeken om terug te komen van in rechte vaststaande besluiten en dus met herhaalde aanvragen als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.


3.5. Ook met betrekking tot deze verzoeken is de Raad van oordeel dat zij niet berusten op nieuw gebleken feiten of omstandigheden en dat niet kan worden gezegd dat het college niet in redelijkheid tot afwijzing van deze verzoeken heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.


4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb ziet de Raad geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2011.


(get.) K. Zeilemaker


(get.) B. Bekkers


EW