Centrale Raad van Beroep, 28-04-2011 / 09-6504 AW-T


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4137

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. De Raad moet constateren dat concrete gegevens omtrent het functioneren van appellante in december 2005 ontbreken. Een beoordeling over die periode, juist met het oog op een eventuele bevordering van appellante, is wel opgemaakt, maar niet vastgesteld vanwege een verschil van inzicht over de te beoordelen competenties tussen de leidinggevende en het managementteam. Stukken hierover ontbreken in het dossier. Daarnaast heeft de staatssecretaris zich laten adviseren door de vakbaas IB van het kantoor Eindhoven, die zich op haar beurt weer heeft laten informeren door de regio-vakgroepcoördinator. Slechts de eindconclusie van laatstgenoemde functionaris is in het primair besluit opgenomen. Een afgewogen oordeel omtrent appellantes geschikt- en bekwaamheid op schaal 14-niveau wordt daarin niet gegeven. De overige door de staatssecretaris genoemde voorbeelden waaruit zou blijken dat appellante niet op het verlangde niveau functioneert, ontberen een concrete onderbouwing, terwijl appellante enkele ervan heeft betwist. Draagt de staatssecretaris op het motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-04-28
Publicatiedatum
2011-05-12
Zaaknummer
09-6504 AW-T
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
Uitspraak

09/6504 AW-T


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


T U S S E N U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 november 2009, 08/3721 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)


Datum uitspraak: 28 april 2011


I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.


De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te ’s-Gravenhage. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door R.H. Laurs, werkzaam bij het ministerie van Financiën.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante is op 1 maart 1986 aangesteld als adjunct-inspecteur bij de Belastingdienst en met ingang van 1 maart 1989 als inspecteur (groepsfunctionaris I). Appellante wordt bezoldigd naar salarisschaal 13 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA), sedert 1 juli 1987 de maximumschaal voor inspecteurs. Omdat inspecteurs tot 1 juli 1987 uitzicht hadden op plaatsing in schaal 14, is in het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB) de zogenaamde “vangnetregeling” opgenomen. Deze regeling houdt in dat voor voornoemde categorie ambtenaren inschaling in schaal 14 van het BBRA zal plaatsvinden op het moment dat er 14 jaren zijn verstreken na de aanvang van de opleiding voor inspecteur, mits zij op dat moment groepsfunctionaris I zijn en indien zij voldoende geschikt en bekwaam worden geoordeeld voor het functioneren op dat niveau.


1.2. In december 2005 heeft appellante verzocht haar alsnog met ingang van 1 maart 2000 in te schalen in schaal 14 van het BBRA. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 17 oktober 2007. Bij het bestreden besluit op bezwaar van 12 september 2008 is het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellante niet in voldoende mate geschikt en bekwaam is om te functioneren op het niveau van schaal 14.


2. De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.


3.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak dat het verzoek van appellante dient te worden aangemerkt als een verzoek terug te komen van eerdere salarisbesluiten. Appellante heeft immers vanaf maart 2000, de datum waarop zij op grond van de vangnetregeling naar schaal 14 bevorderd had kunnen worden, berust in het feit dat dit niet is gebeurd.

De rechtbank heeft echter niet onderkend dat in dit geval een duuraanspraak in het geding is, waarin het aangewezen is om bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (CRvB 1 februari 2001, LJN AB0250 en TAR 2001, 43). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijk besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna moet een minder terughoudende toetsingsmaatstaf worden gehanteerd. Daarbij zal het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit, waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.


3.2.1. De Raad stelt vast dat appellante bij haar verzoek van december 2005 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Dat appellante noch haar direct leidinggevende naar eigen zeggen destijds bekend was met de vangnetregeling, is geen nieuw feit of veranderde omstandigheid. Zij hadden hiervan op de hoogte kunnen zijn. De stelling van appellante dat de staatssecretaris voor de toepassing van de vangnetregeling een onjuist beoordelingscriterium heeft aangelegd kan, wat daarvan verder ook zij, evenmin gelden als een nieuw feit. De stelling van appellante dat de staatssecretaris voor de toepassing van de vangnetregeling een onjuist beoordelingscriterium heeft aangelegd kan, wat daarvan verder ook zij, evenmin gelden als nieuw feit.


3.2.2. Nu er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, houdt de weigering om appellante met ingang van 1 maart 2000 te bevorderen, in rechte stand.


3.3.1. Ten aanzien van de periode vanaf december 2005 is de Raad van oordeel dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het functioneren van appellante in 2000 niet voldeed aan de voorwaarden om voor bevordering naar schaal 14 in aanmerking te komen. De Raad verwijst hiervoor naar de vastgestelde beoordelingen over de periode 1999 tot 2002. Het functioneren van appellante, als inspecteur bezoldigd naar schaal 13, is daarin weliswaar overwegend als “goed” beoordeeld, maar de Raad heeft daarin onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden voor de stelling dat appellante tevens geschikt en bekwaam werd geacht om te functioneren op schaal 14 niveau.


3.3.2. Appellante heeft zich beroepen op de jarenlange praktische invulling van de vangnetregeling, waarbij volgens haar voor een overgang naar schaal 14 kon worden volstaan met een voldoende functioneren op schaal 13-niveau. Gezien de hiervoor genoemde beoordelingen meent appellante aan deze voorwaarde te voldoen. Door aan haar nu andere, verdergaande, eisen te stellen voor haar bevordering dan in 2000 golden, handelt de staatssecretaris in afwijking van deze jarenlange praktijk.

Dit beroep, dat de Raad aanmerkt als een beroep op het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel, wordt verworpen. Van de zijde van appellante is die stelling niet met concrete gegevens onderbouwd en de staatssecretaris heeft uitdrukkelijk ontkend dat bevordering van inspecteurs naar schaal 14 bij een voldoende beoordeling (min of meer) als een automatisme gold.


3.3.3. Uit het vorenstaande volgt dat de staatssecretaris, ook met de hiervoor in 3.1 genoemde, minder terughoudende, toetsingsmaatstaf in redelijkheid het verzoek van appellante heeft kunnen afwijzen.


3.4.1. De Raad stelt verder vast dat de staatssecretaris bevordering naar schaal 14 voor appellante, indien zij op enig moment wel voldoet aan de voorwaarden, niet uitsluit. In het primair besluit van 17 oktober 2007 heeft de staatssecretaris zich ook uitgesproken over het functioneren van appellante in de periode na december 2005. Gelet hierop merkt de Raad appellantes verzoek van december 2005 mede aan als een (nieuw) verzoek om te beoordelen of zij in december 2005 op grond van de vangnetregeling kan worden bevorderd naar schaal 14.


3.4.2. Anders dan appellante meent, is voor toepassing van de vangnetregeling niet slechts vereist dat zij “voldoende” dan wel “naar behoren” functioneert op het niveau van schaal 13. Het gaat om geschikt- en bekwaamheid op het niveau van schaal 14. Op dit punt heeft de staatssecretaris in het besluit van 17 oktober 2007 gesteld er niet van overtuigd te zijn geraakt dat het functioneren van appellante op dat moment een hogere inschaling rechtvaardigde.


3.4.3. De Raad moet constateren dat concrete gegevens omtrent het functioneren van appellante in december 2005 ontbreken. Een beoordeling over die periode, juist met het oog op een eventuele bevordering van appellante, is wel opgemaakt, maar niet vastgesteld vanwege een verschil van inzicht over de te beoordelen competenties tussen de leidinggevende en het managementteam. Stukken hierover ontbreken in het dossier.

Daarnaast heeft de staatssecretaris zich laten adviseren door de vakbaas IB van het kantoor Eindhoven, die zich op haar beurt weer heeft laten informeren door de regio-vakgroepcoördinator. Slechts de eindconclusie van laatstgenoemde functionaris is in het primair besluit opgenomen. Een afgewogen oordeel omtrent appellantes geschikt- en bekwaamheid op schaal 14-niveau wordt daarin niet gegeven. De overige door de staatssecretaris genoemde voorbeelden waaruit zou blijken dat appellante niet op het verlangde niveau functioneert, ontberen een concrete onderbouwing, terwijl appellante enkele ervan heeft betwist.


3.4.4. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit met betrekking tot de weigering om appellante met ingang van december 2005, op grond van haar functioneren op dat moment, te bevorderen naar schaal 14, niet berust op een voldoende kenbare deugdelijke motivering. In zoverre zal dit besluit in rechte geen stand kunnen houden.


4. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet de staatssecretaris op te dragen het voormelde motiveringsgebrek te herstellen.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Draagt de staatssecretaris op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.


Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2011.


(get.) H.A.A.G. Vermeulen.


(get.) K. Moaddine.


HD