Centrale Raad van Beroep, 11-05-2011 / 09-2738 ZW


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4198

Inhoudsindicatie
Weigering een uitkering ingevolge de ZW toe te kennen. Appellante heeft haar recht op loon prijsgegeven op een moment waarop het ongeschiktheidsrisico al was ingetreden. Hiermee staat vast dat appellante een benadelingshandeling heeft gepleegd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-05-11
Publicatiedatum
2011-05-12
Zaaknummer
09-2738 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/2738 ZW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 april 2009, 08/3809 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 11 mei 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.R.O. Dantuma, advocaat te Zevenaar, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2011.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dantuma. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante was sinds 1 januari 2007 in dienst van [naam werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: werkgever) gedurende 20 uur per week. Zij vervulde laatstelijk de functie van directiesecretaresse. Bij brief van 30 januari 2008 heeft de werkgever appellante ontslag aangezegd met ingang van 1 april 2008. Appellante heeft hiertegen geprotesteerd en zij heeft zich op 4 februari 2008 ziek gemeld.


1.2. Appellante en de werkgever hebben vervolgens onderhandeld over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Dit heeft ertoe geleid dat de werkgever het door hem gegeven ontslag heeft ingetrokken en dat op 28 februari 2008 een vaststellingsovereenkomst is gesloten. Hierin zijn appellante en de werkgever onder meer overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt op 1 april 2008.


2.1. Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van

1 april 2008 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen.


2.2. Bij besluit van 13 augustus 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 juni 2008 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat appellante een onnodig beroep heeft gedaan op de ZW door tijdens ziekte in te stemmen met de beëindiging van haar dienstbetrekking, waardoor zij een benadelingshandeling heeft gepleegd in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, en zevende lid, van de ZW. Volgens het Uwv was er geen grond om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen en was ook niet gebleken van een dringende reden om van het opleggen van een maatregel af te zien.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten, omdat zij het standpunt van het Uwv dat appellante een benadelingshandeling heeft gepleegd onderschreef. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante vanaf 4 februari 2008 doorlopend arbeidsongeschikt was en dat zij haar recht op loon heeft prijsgegeven op een moment waarop het ongeschiktheidsrisico al was ingetreden. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat ten tijde van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst niet voorzienbaar was dat zij per 1 april 2008 niet in staat zou zijn dezelfde werkzaamheden bij een andere werkgever te verrichten. De rechtbank onderschreef voorts het standpunt van het Uwv dat er geen aanleiding bestond tot matiging van de maatregel, noch tot het afzien van een maatregel.


4. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat er geen sprake is van een benadelingshandeling. In dit verband heeft appellante benadrukt dat de bedrijfsarts op 6 februari 2008 geen ziekte of gebrek in de zin van de ZW heeft geconstateerd, maar klachten ten gevolge van een arbeidsconflict. Dit betekent, aldus appellante, dat zij op

4 februari 2008 uitsluitend ongeschikt was voor haar werk bij de werkgever, maar niet voor werkzaamheden bij een andere werkgever. Ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst op 28 februari 2008 verkeerde appellante in de verwachting dat haar klachten zouden verdwijnen en dat zij per 1 april 2008 geschikt zou zijn om haar werk in dienst van een andere werkgever te verrichten. Dat deze verwachting niet is uitgekomen was volgens appellante op 28 februari 2008 niet voorzienbaar.


5. De Raad overweegt het volgende.


5.1. De Raad onderschrijft de overwegingen in de aangevallen uitspraak en ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank. De rechtbank heeft op basis van de stukken terecht aangenomen dat appellante vanaf 4 februari 2008 doorlopend arbeidsongeschikt is geweest. Daargelaten dat appellante dit aanvankelijk ook zelf heeft betoogd, blijkt daarvan uit de informatie van de huisarts van appellante, inhoudende dat op 6 februari 2008 en op 14 februari 2008 bij appellante sprake was van surmenage en de bevinding van de verzekeringsarts op 26 juni 2008, dat op dat moment nog steeds sprake was van surmenage. Het dossier bevat geen aanwijzingen voor de aanname dat appellante hieraan niet leed in de periode tussen het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst en 1 april 2008.


5.2. Uit 5.1 volgt dat appellante haar recht op loon heeft prijsgegeven op een moment waarop het ongeschiktheidsrisico al was ingetreden. Hiermee staat vast dat appellante een benadelingshandeling heeft gepleegd.


5.3. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2011.


(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T. Dolderman.


NK