Centrale Raad van Beroep, 25-05-2011 / 10-2214 WAO


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6549

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. Onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de in de FML in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren opgenomen beperkingen. Geen reden om de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet geschikt te achten. De aangepaste indexering van het maatmaninkomen heeft geen gevolgen voor de mate van arbeidsongeschiktheid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-05-25
Publicatiedatum
2011-05-31
Zaaknummer
10-2214 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/2214 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 maart 2010, 08/377 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 25 mei 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van 18 augustus 2010 van bezwaararbeidsdeskundige J.G.W. de Wit ingediend.


Bij brief van 16 maart 2011 heeft appellante de beroepsgronden aangevuld en een rapport van 7 februari 2011 ingezonden van verzekeringsarts W.M. van der Boog.


Het Uwv heeft hierop bij brief van 1 april 2011 gereageerd, een rapport van 28 maart 2011 van bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn ingezonden en een rapport van 1 april 2011 van bezwaararbeidsdeskundige De Wit.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2011. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Heek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.



II. OVERWEGINGEN


1. Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij besluit op bezwaar van

27 december 2007 (het bestreden besluit) de aan appellante verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 28 februari 2008 heeft herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.


2. De rechtbank, beslissende op het door appellante ingestelde beroep, heeft het bestreden besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen.


3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het bestreden besluit een juiste medische en arbeidskundige grondslag ontbeert en dat om die reden de rechtbank de rechtsgevolgen ervan niet in stand had mogen laten.


3.2. In het bijzonder heeft appellante erop gewezen dat haar allergieklachten niet bij de medische oordeelsvorming zijn betrokken en dat ten onrechte de in beroep bij brief van 4 oktober 2008 door psychiater M.S. Jessurun gegeven inlichtingen terzijde zijn geschoven. De rechtbank had een onafhankelijk medisch deskundige moeten inschakelen om de beperkingen voortvloeiend uit haar psychische klachten te beoordelen. Ter ondersteuning van haar standpunt dat haar medische beperkingen bij het bestreden besluit zijn onderschat heeft appellante een rapport van 7 februari 2011 ingezonden van de verzekeringsarts Van der Boog. Deze heeft de verwachting uitgesproken dat bij nader onderzoek zal blijken dat appellante meer beperkt is dan uit de voor appellante geldende Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) blijkt.


3.3. De geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag liggende functies heeft appellante bestreden onder verwijzing naar de bij haar bestaande allergie voor pollen, parfum, colofonium dat in lijm, papier, karton en soldeer voorkomt, en Neomycine. Voorts heeft appellante gesteld dat de functies in sbc-code 515070, functie van debiteurenbeheer en de overige onder die code voorkomende functies, gelet op het rapport van Van der Boog niet geschikt zijn.


3.4. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat het maatmaninkomen ten onrechte niet is geïndexeerd naar de datum in geding, 28 februari 2008, en om die reden te laag is vastgesteld.


3.5. Het Uwv heeft bij verweerschrift het oordeel van de rechtbank onderschreven dat de inlichtingen van psychiater Jessurun geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de in de FML neergelegde arbeidsbeperkingen. Voorts heeft het Uwv op grond van het rapport van 18 augustus 2010 van de bezwaararbeidsdeskundige De Wit geconcludeerd dat onder de geduide functies er een functie is (soldering technician in sbc-code 111180) waarbij niet met zekerheid kan worden gezegd dat appellante niet in aanraking komt met colofonium. Deze functie heeft de bezwaararbeidsdeskundige uit voorzorg alsnog ongeschikt voor appellante geacht. Een en ander heeft echter geen invloed op de arbeidsongeschiktheidsschatting, omdat er voldoende geschikte functies resteren.


3.6. Onder verwijzing naar het rapport van 28 maart 2011 van bezwaarverzekeringsarts Van Duijn heeft het Uwv gesteld dat het rapport van Van der Boog geen aanleiding geeft om een ander standpunt in te nemen. Het rapport van Van der Boog mist een inhoudelijke onderbouwing anders dan een beschrijving van subjectieve belevingen.


3.7. Naar aanleiding van de kritiek van appellante op de indexering van het maatmaninkomen heeft de bezwaararbeidsdeskundige De Wit nader onderzoek ingesteld. Deze heeft alsnog het maatmaninkomen geïndexeerd tot 28 februari 2008, maar heeft tevens in zijn rapport van 1 april 2011 geconcludeerd dat dit geen relevante wijziging brengt in de mate van arbeidsongeschiktheid.


4.1. De Raad overweegt als volgt.


4.2. De inlichtingen van de psychiater Jessurun, waar appellante, gelet op het verhandelde ter zitting, twee keer per jaar komt voor medicatie en gesprekken, geven de Raad geen aanwijzingen dat de medische beperkingen zijn onderschat. Diens brief van 4 oktober 2008 behelst informatie met betrekking tot de familie van appellante en een diagnose. Een anamnese en verslag van psychiatrisch onderzoek van appellante behelst deze brief niet. De in het rapport van 8 december 2008 van de bezwaarverzekeringsarts Van Duijn vervatte kritiek op deze brief dat deze enige medische onderbouwing mist en dat de daarin gedane uitspraken ook niet gedragen worden door de beschikbare medische gegevens, onderschrijft de Raad derhalve. Nu verzekeringsarts Van der Boog voor zijn stelling dat uit nader onderzoek kan blijken dat de beperkingen van appellante zijn onderschat, veel gewicht toekent aan de brief van psychiater Jessurun en hij zijn standpunt verder uitsluitend baseert op dossierstudie, ziet de Raad onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de in de FML in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren opgenomen beperkingen van appellante. Een nader onderzoek door een medisch deskundige als door appellante gewenst, acht de Raad niet noodzakelijk.


4.3. De Raad is door het rapport van 18 augustus 2010 van de bezwaararbeidsdeskundige De Wit in hoger beroep er van overtuigd dat het overgrote deel van de geduide functies, als rekening wordt gehouden met de bij appellante bestaande allergieklachten, geschikt is. Ook overigens heeft de Raad geen reden om de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet geschikt te achten.


4.4. De opvatting van de bezwaararbeidsdeskundige dat de aangepaste indexering van het maatmaninkomen geen gevolgen heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante deelt de Raad. De uitkomst van de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage valt blijkens het rapport van 1 april 2011 van de bezwaararbeidsdeskundige binnen de klasse 35 tot 45%.


5. Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.


6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en T. Hoogenboom en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2011.


(get.) D.J. van der Vos.


(get.) R.L. Venneman.


IvR