Centrale Raad van Beroep, 08-06-2011 / 10-3262 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8558

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Afwijzing verzoek om kwijtschelding van de op dat moment openstaande restantvordering van € 3.642,87. Het college heeft terecht gesteld dat niet is voldaan aan het gestelde in artikel 7, eerste lid, van de Beleidsregel herziening, terugvordering en verhaal WWB 2008, waarin is opgenomen dat men kan verzoeken om kwijtschelding indien ten minste 60 termijnen aan de aflossingsverplichting is voldaan én 75% van de vordering is afgelost.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-06-08
Publicatiedatum
2011-06-21
Zaaknummer
10-3262 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/3262 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 29 april 2010, 10/13 (hierna: aangevallen uitspraak)


in het geding tussen


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond (hierna: College)


Datum uitspraak: 8 juni 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.J.C. Bindels, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.P.A. Dassen, werkzaam bij de gemeente Roermond.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Bij besluit van 24 juli 1996 heeft het College de bijstand van appellant vanaf 1 november 1993 tot en met 31 mei 1996 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van f. 16.189,81

(€ 7.142,49).


1.2. Bij besluit van 22 mei 2008 heeft het College het verzoek om kwijtschelding van appellant van de op dat moment openstaande restantvordering van € 3.642,87 afgewezen, omdat niet is voldaan aan het gestelde in artikel 7, eerste lid, van de Beleidsregel herziening, terugvordering en verhaal WWB 2008, waarin is opgenomen dat men kan verzoeken om kwijtschelding indien ten minste 60 termijnen aan de aflossingsverplichting is voldaan én 75% van de vordering is afgelost.


1.3. Appellant heeft bij schrijven van 2 september 2009 het College verzocht om kwijtschelding van de op dat moment openstaande restantvordering ter hoogte van

€ 1.500,--.


1.4. Bij besluit van 3 september 2009 heeft het College het verzoek om kwijtschelding afgewezen, omdat volgens de Beleidsregel herziening, terugvordering en verhaal WWB 2009 (hierna: Beleidsregel 2009) alleen kwijtschelding mogelijk is als de restantvordering niet hoger is dan € 75,-- én na aanmaning inning niet mogelijk blijkt. Er is voorts geen sprake van zeer dringende redenen op grond waarvan tot buiten invorderingstelling zou moeten worden overgegaan. Wel is de incasso tijdelijk stopgezet.


1.5. Bij besluit van 17 december 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 september 2009 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 17 december 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe geoordeeld dat het College het kwijtscheldingsverzoek van appellant van 2 september 2009 terecht heeft beoordeeld aan de hand van de op het moment van die aanvraag geldende Beleidsregel 2009 en dat niet valt in te zien waarom in het onderhavige geval sprake zou zijn van een vergelijkbare situatie als aan de orde in de door appellant aangehaalde uitspraak van de Raad van 21 april 2005, LJN AT4358. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de toepassing van de Beleidsregel 2009 in het geval van appellant geen strijd oplevert met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. In het besluit van 22 mei 2008 is geen toezegging gedaan dat bij een aflossing van 75% van de vordering tot kwijtschelding zal worden overgegaan. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de door appellant genoemde persoonlijke omstandigheden geen dringende reden of bijzondere omstandigheid opleveren die het College nopen tot een afwijking van het beleid en het kwijtschelden van de restantvordering. Met het opschorten van de afbetalingsverplichting is het College naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate tegemoet gekomen aan de uit de persoonlijke omstandigheden voortvloeiende belangen van appellant.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij de in beroep aangevoerde gronden herhaald en heeft zich voorts op het standpunt gesteld niet bekend te zijn geweest met de Beleidsregel 2009.


4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en maakt haar overwegingen tot de zijne. Daaraan voegt de Raad naar aanleiding van het hoger beroep nog toe dat de Beleidsregel 2009 conform het bepaalde in de artikelen 1:3 en 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht is bekend gemaakt door kennisgeving in het huis-aan-huisblad “de Trompetter”. Dat appellant daarvan geen kennis heeft genomen komt voor zijn eigen rekening en risico en kan niet tot gevolg hebben dat de Beleidsregel 2009 niet in werking is getreden of niet op de aanvraag van appellant van 2 september 2009 van toepassing is geworden. De aangevallen uitspraak zal derhalve worden bevestigd.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2011.


(get.) H.C.P. Venema.


(get.) J. de Jong.


HD