Centrale Raad van Beroep, 06-07-2011 / 09-5665 WIA


ECLI:NL:CRVB:2011:BR0643

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Zorgvuldig medische onderzoek. Beperkingen niet onderschat.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-07-06
Publicatiedatum
2011-07-08
Zaaknummer
09-5665 WIA
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/5665 WIA


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2009, 07/2772 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 6 juli 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. P.E. Stam, advocaat te Zaandam, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2011 waar namens appellante mr. Stam is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.


II. OVERWEGINGEN


1. Appellante is groepshulp geweest bij een kinderdagverblijf en is op 8 november 2004 uitgevallen wegens hoofdpijn/migraine en klachten van het bewegingsapparaat. Na afloop van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In dat kader is appellante onderzocht door een verzekeringsarts die op basis van dit onderzoek en verkregen informatie heeft vastgesteld dat er bij appellante sprake is van schouder- en voetklachten. Daarnaast heeft hij vastgesteld dat er bij appellante tevens sprake is van galblaasproblemen, migraine, een aanpassingstoornis en overgewicht. De uit deze klachten voortvloeiende beperkingen heeft hij vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens is een arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk maar nog wel geschikt voor een vijftal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellante bij besluit 12 december 2006 meegedeeld dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering.


2.1. In bezwaar heeft appellante gesteld dat zij als gevolg van haar klachten meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij nadere informatie van de behandelende sector ingebracht, waaronder informatie van de huisarts. Voorts heeft zij naar voren gebracht dat de voor haar geselecteerde functies niet geschikt zijn.


2.2. Bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek heeft de voor appellante vastgestelde FML op een aantal punten aangepast. Met inachtneming van deze aangepaste FML is bezwaararbeidsdeskundige B. van Eck tot de conclusie gekomen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies nog steeds geschikt zijn voor appellante. Bij besluit van

28 augustus 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.


3.1. In beroep heeft appellante verklaringen van behandelend orthopedische chirurgen ingebracht. Voorts heeft zij gesteld dat zij, naast haar voormelde klachten, last heeft van reuma.


3.2. Bezwaarverzekeringsarts Koek heeft in haar rapport van 3 maart 2008 haar in bezwaar ingenomen standpunt gehandhaafd. Bezwaararbeidskundige G.J.W. van Hulst is in zijn rapport van 25 maart 2008 tot de conclusie gekomen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functie van medewerker luistercontrole bij nader inzien niet geschikt is voor appellante. De overige voor appellante geselecteerde functies heeft hij wel geschikt geacht. Voorts heeft hij nieuwe functies geselecteerd en heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op eveneens minder dan 35%. In overeenstemming met deze rapporten heeft het Uwv in zijn verweerschrift van 28 maart 2008 dan ook te kennen gegeven dat het bestreden besluit ongewijzigd gehandhaafd blijft.


3.3. Met de medische component van het bestreden besluit heeft de rechtbank zich kunnen verenigen. Met de arbeidskundige component van het bestreden besluit daarentegen niet, omdat het Uwv de aan de schatting ten grondslag gelegde functie van medewerker luistercontrole heeft laten vervallen en het bestreden besluit derhalve niet meer berust op drie geschikte functies. Om die reden heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de geschiktheid van appellante voor een aantal geselecteerde functies in onvoldoende mate heeft gemotiveerd. Uiteindelijk heeft de rechtbank geconcludeerd dat er nog een drietal geschikte functies met voldoende arbeidsplaatsen resteerden. De omstandigheid dat de op basis van deze drie functies berekende mate van arbeidsongeschiktheid eveneens minder dan 35% bedroeg, is voor de rechtbank aanleiding geweest de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand te laten.


4.1. Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten. Daarbij heeft zij de eerder in de procedure naar voren gebrachte gronden herhaald.


4.2. Desgevraagd heeft bezwaararbeidsdeskundige Van Hulst in zijn rapport van 10 augustus 2010 nog een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van appellante voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.


5.1. De Raad overweegt als volgt.


5.2. Naar het oordeel van de Raad heeft bezwaarverzekeringsarts Koek in bezwaar een zorgvuldig medisch onderzoek ingesteld. De Raad stelt vast dat deze bezwaarverzekeringsarts de door de verzekeringsarts vastgestelde FML heeft aangepast in die zin dat zij ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante meer beperkingen heeft aangenomen. De stelling van appellante dat zij ten aanzien van deze aspecten nog verdergaande beperkingen heeft, heeft zij naar het oordeel van de Raad in onvoldoende mate medisch onderbouwd. Ook anderszins is de Raad op grond van de gedingstukken niet tot de conclusie kunnen komen dat het Uwv de uit de klachten van appellante voortvloeiende beperkingen heeft onderschat. Het standpunt van appellante dat zij als gevolg van haar hoofdpijn en haar linkerarm- en rechtervoetklachten meer beperkingen heeft dan zijn aangenomen, heeft zij naar het oordeel van de Raad evenmin in voldoende mate aannemelijk gemaakt. Voorts is de Raad van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts Koek in haar rapport van 23 mei 2007 de door appellante geclaimde urenbeperking eveneens in voldoende mate heeft weerlegd. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust.


5.3. Aangezien de Raad tevens van oordeel is dat in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante niet wordt overschreden, is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.


6. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en T. Hoogenboom en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011.


(get.) D.J. van der Vos.


(get.) R.L. Venneman.


KR