Centrale Raad van Beroep, 08-07-2011 / 09-4828 WAO


ECLI:NL:CRVB:2011:BR1074

Inhoudsindicatie
Eigenrisicodrager. De rechtbank is – evenals aanvankelijk het Uwv – er ten onrechte vanuit gegaan dat door (de werkgever) niet een verzoek om een beoordeling van het recht van werknemer op een WAO-uitkering over een periode na 26 april 2005 is gedaan. Mate van arbeidsongeschiktheid werknemer ongewijzigd 80 tot 100%. In de beschikbare medische gegevens van werknemer (...) zijn geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat er in de beoordeelde periode van 26 april 2004 tot 23 augustus 2009 een periode van substantiële duur valt aan te wijzen waarin werknemer minder beperkt zou zijn dan (...) in de KFML is vastgelegd. Mede in het licht van de (...) genoemde uitspraken, de brief van het Uwv en het verhandelde ter zitting van 6 augustus 2010 volgt de Raad niet het standpunt van appellante dat – samengevat weergegeven – het Uwv juist met het oog op de positie van de eigen risico dragende werkgever zijn bijzondere verantwoordelijkheid heeft verzaakt om gedurende de looptijd van de WAO-uitkering van een werknemer de rechtmatigheid daarvan te controleren. Er is immers sprake van controle. Op de inhoud daarvan kan de werkgever enige invloed uitoefenen door lopende een WAO-uitkering na verloop van tijd een gemotiveerd verzoek om een herbeoordeling te doen. Daarnaast valt uit de WAO geen rechtsregel af te leiden die wijst op het bestaan van een bijzondere verantwoordelijkheid voor het Uwv als door (de werkgever) bedoeld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-07-08
Publicatiedatum
2011-07-12
Zaaknummer
09-4828 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
Uitspraak

09/4828 WAO + 10/7050 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2009, 08/4429 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 8 juli 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, gevestigd te Leusden, hoger beroep ingesteld.


Desgevraagd heeft [Naam werknemer B.] (hierna: werknemer) meegedeeld niet als partij aan dit geding te willen deelnemen. Werknemer heeft daarbij tevens aangegeven geen toestemming te verlenen om zijn medische gegevens ter kennisname van appellante te brengen.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.


De voorzitter van de meervoudige kamer heeft aan het slot van deze zitting partijen meegedeeld dat het onderzoek ter zitting wordt geschorst.


Bij brief van 22 december 2010 heeft het Uwv de Raad meegedeeld dat een herziene beslissing op bezwaar is genomen op basis van het daarbij gevoegde rapport van de verzekeringsarts H.J. Schaap.


Bij brief van 4 maart 2011 heeft appellante op de herziene beslissing op bezwaar gereageerd. Naar aanleiding daarvan heeft het Uwv op 12 mei 2011 het rapport van de stafverzekeringsarts dr. T.J.A. Boel van 10 mei 2011, een Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (KFML) van 26 april 2011 en het rapport van de arbeidsdeskundige A.J. Vermeulen van 27 april 2011 ingezonden.


De nadere zitting van de Raad vond plaats op 27 mei 2011. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.D. van Someren.


II. OVERWEGINGEN


1. Ongeveer halverwege 2003 is werknemer bij appellante als voorbewerker/spuiter in dienst getreden. Op 24 augustus 2003 is werknemer arbeidsongeschikt geworden. Bij besluit van 2 september 2004 heeft het Uwv – na intrekking van een eerder besluit – aan werknemer met ingang van 23 augustus 2004 een volledige WAO-uitkering toegekend. Hiertegen heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend. Bij besluit van 28 april 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van werknemer ongewijzigd vastgesteld in de klasse 80 tot 100%. Het door appellante ingestelde beroep naar aanleiding van de beslissing op het door appellante tegen het besluit van 28 april 2005 gemaakte bezwaar is door appellante uiteindelijk ingetrokken.


2. Appelante heeft bij brief van 28 januari 2008 het Uwv verzocht haar te informeren over vervolgbesluiten met betrekking tot de WAO-uitkering van werknemer en indien dergelijke besluiten niet zijn genomen alsnog te besluiten over de periode na 23 augustus 2004. Dit laatste verzoek heeft appellante op 27 februari 2008 herhaald. Hierop heeft het Uwv appellante bij brief van 24 juni 2008 geïnformeerd over de in overweging 1 vermelde besluitvorming en meegedeeld dat nadien geen herbeoordeling heeft plaatsgevonden.


3. Bij besluit van 20 oktober 2008 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv het door appellante tegen de brief van 24 juni 2008 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat deze brief informatief van aard is en derhalve geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor zover appellante bedoeld had bezwaar te maken tegen de fictieve weigering een besluit te nemen over de aanspraken van werknemer over de periode na 24 augustus 2004, verklaarde het Uwv dit bezwaar bij besluit 1 ongegrond.


4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen besluit 1 ongegrond verklaard.


4.2. Volgens de rechtbank keerde het beroep van appellante zich uitsluitend tegen de beslissing van het Uwv om geen besluit te nemen met betrekking tot de aanspraak van werknemer op een WAO-uitkering vanaf 26/29 april 2005 tot 20 oktober 2008. Volgens de rechtbank, die de visie van het Uwv over het besluitkarakter van de brief van 24 juni 2008 onderschreef, houdt deze brief geen fictieve weigering in om te besluiten over de WAO-aanspraken van werknemer na 24 augustus 2004. Nu de besluiten van 2 september 2004 en 28 april 2005 geen einddata vermelden, loopt volgens de rechtbank de uitkering van werknemer door na 24 augustus 2004 respectievelijk 28 april 2005 en is daarvoor geen afzonderlijk besluit nodig. Voorts is volgens de rechtbank door het Uwv terecht gesteld dat geen verzoek is gedaan om wegens gewijzigde omstandigheden een besluit te nemen.


5. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat dit de vraag betreft of het Uwv naar aanleiding van haar verzoek een besluit diende te nemen over de aanspraak van werknemer op een WAO-uitkering na 25 (lees: 23) augustus 2004 respectievelijk 28 april 2005. Zij heeft daartoe gewezen op de uitspraak van de Raad van 3 juli 2009 (LJN BJ2546) waarin – in lijn met eerdere uitspraken – is overwogen dat niet valt in te zien dat de eigen risicodrager als belanghebbende werkgever niet op de voet van de WAO een gemotiveerd verzoek zou kunnen indienen strekkende tot herbeoordeling van het recht van de werknemer ingevolge de WAO vanaf een nader aangegeven datum.


6.1. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van 6 augustus 2010, waarin naar voren kwam dat het Uwv de brief van appellante van 28 januari 2008 niet had gelezen als een verzoek om herkeuring van de werknemer en waarin de mogelijkheden van een belanghebbende werkgever om een herkeuring te vragen ter sprake zijn gekomen, heeft het Uwv de in rubriek I vermelde herziene beslissing op bezwaar van 22 december 2010 (hierna: besluit 2) genomen. Bij besluit 2 heeft het Uwv, voor zover hier van belang, besluit 1 niet langer gehandhaafd wat betreft de ongegrondverklaring van het bezwaar van appellante tegen de meerbedoelde fictieve weigering en besluit 1 aangevuld in die zin dat de beslissing op het verzoek van appellante tot herbeoordeling van de uitkering over de periode van 26 april 2005 tot 23 augustus 2009 leidt tot het ongewijzigde oordeel dat werknemer in die periode volledig arbeidsongeschikt was. Tevens heeft het Uwv de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar vergoed.


6.2. De Raad stelt vast dat besluit 2 niet (volledig) tegemoet komt aan het beroep van appellante tegen besluit 1. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb wordt het beroep tegen besluit 1 dan ook geacht mede gericht te zijn tegen besluit 2 en om die reden bij de beoordeling van het hoger beroep van appellante betrokken.


7.1. Wat betreft de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten gezien de samengevatte weergave van het hoger beroep in overweging 5, overweegt de Raad dat de rechtbank – evenals aanvankelijk het Uwv – er ten onrechte vanuit is gegaan dat door appellante niet een verzoek om een beoordeling van het recht van werknemer op een WAO-uitkering over een periode na 26 april 2005 is gedaan. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat in dit geval van een fictieve weigering om te beslissen op een dergelijk verzoek geen sprake was.


7.2. Gelet op overweging 7.1 dient de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, te worden vernietigd.


7.3.1. Wat betreft besluit 2 stelt de Raad vast dat daaraan ten grondslag ligt het in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapport van de verzekeringsarts Schaap. Deze arts heeft de dossiergegevens bestudeerd, van de werknemer op het spreekuur van 21 september 2010 een anamnese afgenomen, informatie bij de huisarts ingewonnen en zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 15 december 2010. Schaap vermeldde dat werknemer van 13 augustus 2004 tot 6 januari 2006 was opgenomen in een verslavingskliniek en dat werknemer tot 23 maart 2007 een langdurige en zware kuur had gevolgd in verband met een leverontsteking (hepatitis C). Voorts is werknemer met ingang van 12 mei 2007 ter resocialisatie met het oog op reïntegratie als vrijwilliger gaan werken voor 5 uur per week in een verzorgingstehuis, welke werkzaamheden hij uiteindelijk heeft uitgebreid tot 11 uur per week en in 2009 heeft beëindigd in verband met de verzorging van zijn ernstig zieke moeder. Schaap concludeerde dat werknemer niet geschikt was voor normale loonvormende arbeid in verband met de noodzaak van intensieve coaching en begeleiding. Verder wees Schaap erop dat werknemer niet behandeld kon worden met EDMR-therapie voor de PTSS, waarmee hij in verband met jeugdtraumata bekend was, zo bleek in maart/april 2008 bij de behandelende GGZ-instelling. Tevens is, aldus Schaap, bij werknemer sprake van een emotioneel instabiele (borderline) persoonlijkheid en is hij ook getraumatiseerd door zijn langdurig verslavingsverleden. Gelet op een en ander stelde Schaap geen FML op.


7.3.2. Naar aanleiding van de inhoudelijke kritiek van appellante op het rapport van Schaap heeft de eveneens in rubriek I vermelde stafverzekeringsarts Boel gemotiveerd aangegeven dat er, anders dan appellante meent, geen hiaten in de informatie zijn over het relevante tijdvak van 26 april 2004 tot 23 augustus en heeft hij gesteld dat de conclusies van Schaap congruent zijn aan het ziektebeeld van werknemer. Tevens heeft Boel een KFML opgesteld, waarin de beperkingen van werknemer in onder andere de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) alsmede een urenbeperking zijn vastgelegd. Op basis van deze KFML heeft de ook in rubriek I vermelde arbeidsdeskundige Vermeulen op 27 april 2011 vastgesteld dat, gelet op de KFML, in het geval van werknemer functieduiding niet mogelijk was zodat de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% was.


7.3.3. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens van werknemer, zoals deze door Schaap en Boel in kaart zijn gebracht en gewogen, geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat er in de beoordeelde periode van 26 april 2004 tot 23 augustus 2009 een periode van substantiële duur valt aan te wijzen waarin werknemer minder beperkt zou zijn dan door Schaap is aangenomen en door Boel in de KFML is vastgelegd. De Raad wijst in dit verband in het bijzonder op de de door Boel nader uitgewerkte medische situatie van werknemer in de betreffende periode. Daaruit blijkt dat sprake is van langdurige opname wegens verslaving, van psychische ziekten en van langdurige medicatie voor hepatitis C en dat een en ander in de tijd niet alleen elkaar opvolgde maar ook, zeker wat betreft de psychische ziekten en de nasleep van de hepatitis, naast elkaar liep.


7.3.4. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 2 overweegt de Raad dat Vermeulen heeft vastgesteld dat er op basis van de voor werknemer door Boel in de KFML neergelegde beperkingen in de rubrieken 1 en 2 geen geschikte functies konden worden geduid omdat bij de selectie van functies bleek van een groot aantal overschrijdingen in deze rubrieken. De Raad heeft, gelet op de KFML en het samenstel van de door Vermeulen vermelde overschrijdingen, geen aanknopingspunten deze visie van Vermeulen, waarop overigens door appellante niet meer is gereageerd, voor onjuist te houden.


7.3.5.1. Wat betreft de overige tegen besluit 2 ingebrachte gronden stelt de Raad voorop dat, zoals in zijn uitspraak van bijvoorbeeld 23 februari 2011 (LJN BP5699) naar voren komt, indien een verzekerde met ingang van een bepaalde dag een WAO-uitkering toekomt naar een bepaalde mate van arbeidsongeschiktheid, die mate geldt tot de dag met ingang waarvan is besloten dat hij recht heeft op een uitkering naar een andere mate van arbeidsongeschiktheid. Voorts geldt dat het appellante, gelet ook op de door haar zelf genoemde en in overweging 5 vermelde uitspraak van de Raad van 3 juli 2009 – welke overigens betrekking had op een geschil tussen appellante en het Uwv over toerekening van de WAO-uitkering van werknemer aan haar als eigen risicodrager voor de WAO – vrij had gestaan op enig moment in de periode na 26 april 2005 een gemotiveerd verzoek te doen om beoordeling van de voortduring van de aanspraak van werknemer op een WAO-uitkering. Verder heeft het Uwv in de begeleidende brief bij besluit 2 aangegeven dat, anders dan van zijn zijde ter zitting van 6 augustus 2010 is vermeld, nog steeds jaarlijks aan de betrokken verzekerde een wijzigingsformulier wordt gezonden waarin wordt gewezen op de verplichting medische veranderingen of verworven inkomsten te melden. Daarnaast is door de gemachtigde van het Uwv ter zitting vermeld dat het Uwv de rechtmatigheid van een WAO-uitkering dient te onderzoeken wanneer daarvoor een concrete aanleiding bestaat. Dat kan, aldus die gemachtigde, aan de orde zijn op basis van een intern signaal bijvoorbeeld een door de verzekeringsarts reeds aangekondigd heronderzoek of op basis van een extern signaal in de vorm van bijvoorbeeld nieuwe informatie afkomstig van de betrokkene, de (ex)werkgever of uit andere bron. Dat kan ook een verzoek tot herbeoordeling van die werkgever zijn. Mede in het licht van de in deze overweging genoemde uitspraken, de brief van het Uwv en het verhandelde ter zitting van 6 augustus 2010 volgt de Raad niet het standpunt van appellante dat – samengevat weergegeven – het Uwv juist met het oog op de positie van de eigen risico dragende werkgever zijn bijzondere verantwoordelijkheid heeft verzaakt om gedurende de looptijd van de WAO-uitkering van een werknemer de rechtmatigheid daarvan te controleren. Er is immers sprake van controle. Op de inhoud daarvan kan de werkgever enige invloed uitoefenen door lopende een WAO-uitkering na verloop van tijd een gemotiveerd verzoek om een herbeoordeling te doen. Daarnaast valt uit de WAO geen rechtsregel af te leiden die wijst op het bestaan van een bijzondere verantwoordelijkheid voor het Uwv als door appellante bedoeld.


7.3.5.2. De Raad overweegt ten slotte dat, anders dan appellante meent, er in dit geval geen sprake is van de vraag of werknemer in aanmerking komt voor een zogenoemde IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Aan de orde bij besluit 2 is immers de beoordeling van het recht op een WAO-uitkering van werknemer gedurende de in besluit 2 vermelde periode.


7.3.6. De overwegingen 7.3.1 tot en met 7.3.5.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het beroep tegen besluit 2 ongegrond dient te worden verklaard.


8. Gelet op overweging 7.2 ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 483,- voor die bijstand in hoger beroep, in totaal derhalve op € 805,-. De gevorderde kosten voor de behandeling van het bezwaar zijn reeds bij besluit 2 vergoed.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 805,-

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar voldane griffierecht ten bedrage van

€ 735,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2011.


(get.) J.W. Schuttel.


(get.) J. van Dam.


NK