Centrale Raad van Beroep, 08-07-2011 / 10-2819 WAO


ECLI:NL:CRVB:2011:BR1096

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. Allereerst stelt de Raad vast dat de rechtbank in de uitspraak van 5 maart 2009 de beroepsgronden gericht tegen de in de FML voor reiken en buigen vastgestelde belastbaarheid heeft verworpen. Dit betekent dat, nu appellant tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, van de juistheid van die belastbaarheid moet worden uitgegaan en dat mitsdien de van de zijde van appellant wederom aangevoerde gronden voor zover deze zijn gericht tegen de vaststelling van de belastbaarheid op de aspecten reiken en buigen thans niet meer ter beoordeling staan. Ten slotte overweegt de Raad, naar aanleiding van hetgeen daarover namens appellant is aangevoerd, nog dat, gelet op de aanpassingen in de FML en de nadere rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 7 mei 2009 en 18 augustus 2009 en van de bezwaarverzekeringsarts van 24 november 2009, het Uwv in voldoende mate gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 5 maart 2009.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-07-08
Publicatiedatum
2011-07-11
Zaaknummer
10-2819 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/2819 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 april 2010, 09/2933

(hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 8 juli 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M. Tracey, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Op 11 april 2011 heeft appellant nadere stukken aan de Raad gezonden, waaronder brieven van de audioloog J.M. Leijendekkers van 25 november 2010, 25 januari 2011 en 21 maart 2011 en een arbeidskundig advies, uitgebracht door de registerarbeidsdeskundige W. de Hoop, van 31 maart 2011.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Aanen, werkzaam bij ARAG. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant ontving na uitval voor zijn werkzaamheden als constructeur/design engineer wegens een ongeval in 1992, per 14 februari 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Vanaf december 1999 is zijn WAO-uitkering opgehoogd naar 80 tot 100%.


1.2. In 2007 heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de uitkomsten daarvan heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen in staat moet worden geacht arbeid in voor hem geschikt geachte functies te verrichten. Bij besluit van 29 oktober 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 30 december 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het bezwaar van appellant is bij besluit van 14 april 2008 gegrond verklaard en is de datum van de herziening bepaald op 15 juni 2008.


1.3. Bij uitspraak van 5 maart 2009 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 april 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is om het belastbaarheidsprofiel op de onderdelen strekken en buigen voor onjuist te houden, zoals appellant had gesteld, doch dat onvoldoende is gebleken dat het Uwv voldoende rekening heeft gehouden met de (psychische) beperkingen ten gevolge van de gehoorproblemen en dat onvoldoende is gebleken dat het Uwv deze aspecten in voldoende mate in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft vertaald.Partijen hebben in deze uitspraak berust en het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 12 juni 2009 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar wederom gegrond verklaard en bepaald dat de uitkering per 15 juni 2008 wordt gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.


1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat partijen geen hoger beroep hebben ingesteld tegen de uitspraak van 5 maart 2009. Daarom moet, voor zover bij die uitspraak de gronden van appellant uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, van de juistheid van die uitspraak worden uitgegaan.

De rechtbank heeft overwogen dat met de aangepaste FML van 13 augustus 2009, waarin aanvullende beperkingen zijn opgenomen in verband met de gehoorproblemen, op afdoende wijze gevolg is gegeven aan de uitspraak van 5 maart 2009. Gelet op de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 7 mei 2009 en 18 augustus 2009 is naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voldoen aan de voor appellant geldende beperkingen.


2. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij vanwege zijn lichamelijke en psychische beperkingen meer arbeidsongeschikt is dan door het Uwv is aangenomen. Voorts heeft appellant bezwaren geformuleerd tegen de belasting in de voor de schatting gebruikte functies. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stellingen de in rubriek I vermelde brieven van Leijendekkers en het eveneens daar vermelde advies van De Hoop in geding gebracht.


3.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.2. Allereerst stelt de Raad vast dat de rechtbank in de uitspraak van 5 maart 2009 de beroepsgronden gericht tegen de in de FML voor reiken en buigen vastgestelde belastbaarheid heeft verworpen. Dit betekent dat, nu appellant tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, van de juistheid van die belastbaarheid moet worden uitgegaan en dat mitsdien de van de zijde van appellant wederom aangevoerde gronden voor zover deze zijn gericht tegen de vaststelling van de belastbaarheid op de aspecten reiken en buigen thans niet meer ter beoordeling staan.


3.3. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat het Uwv met het opnemen van beperkingen in de FML van 13 augustus 2009 op aspect 1.1.9 “moet pauzes tussen zijn activiteiten kunnen inplannen”, op aspect 3.5.1 “kan geen gehoorbeschermers dragen die absolute stilte veroorzaken; geen volledige afscherming van het omgevingsgeluid” en op aspect 3.10 “Lawaai dient voorkomen te worden. Een rustige (voor wat betreft geluid) werkomgeving is aangewezen. Oordoppen moeten geen volledige stilte veroorzaken omdat dit de tinnitus op de voorgrond brengt”, thans in voldoende mate rekening heeft gehouden met de gehoorproblemen van appellant. Zowel met de gevoeligheid voor geluid, de hyperacusis, als met het oorsuizen, de tinnitus, is rekening gehouden. In verband met de hyperacusis is in de FML opgenomen dat appellant is aangewezen op een rustige werkomgeving. Blijkens het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 7 mei 2009 wordt een geluidsbelasting tot 80 decibel (dB) acceptabel geacht. De Raad stelt vast dat dit overeenkomt met de door de audioloog in de brief van 21 maart 2011 genoemde grens voor het geluidsniveau waarin appellant kan werken.


3.4. Voorts wijst de Raad op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 24 november 2009 waarin deze ingaat op de stelling van appellant dat een gehoorbeschermer de hyperacusis zou verergeren. De bezwaarverzekeringsarts zet onder meer uiteen dat van een hyperacusis sprake is als een slechthorende een geluid als te luid ervaart en dat een otoplastiek als gehoorbeschermer voor appellant een betrouwbare en comfortabele oplossing biedt, een otoplastiek altijd individueel, en door een deskundige, aangemeten wordt en daarmee het omgevingsgeluid selectief kan worden gedempt.


3.5. De Raad stelt vast dat de audioloog Leijendekkers in het rapport van 25 november 2010 heeft aangegeven dat:

“Het gebruik van otoplastieken schermt de gebruiker (deels) af van omgevingsgeluid. Als er sprake is van hinder van het omgevingsgeluid, bijvoorbeeld door hyperacusis, dan zal deze hinder door het dragen van otoplastieken naar verwachting afnemen. In dat opzicht biedt het gebruik van otoplastieken dus verlichting”

De audioloog wijst in zijn rapport ook op keerzijden van het gebruik van otoplastieken. De Raad begrijpt de opmerkingen dienaangaande van de audioloog aldus dat er problemen kunnen ontstaan als de otoplastiek niet goed is ingesteld. In het licht van het geheel van de daarover beschikbare medische gegevens heeft de Raad geen aanknoppingspunten voor het oordeel dat een goede instelling van de otoplastiek voor appellant niet mogelijk zou zijn en dat aldus deze gehoorbescherming voor appellant geen adequate oplossing zou bieden.


3.6. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in het rapport van 7 mei 2009 uiteengezet waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, samensteller (SBC code 264140), productiemedewerker industrie (SBC code 111180) en elektronicamonteur (SBC code 267040), passend zijn. Er is in deze functies geen sprake van een hoge geluidsbelasting, het is in de functies mogelijk om kort te pauzeren en de functies vereisen geen langdurige concentratie. De Raad onderschrijft de door de bezwaararbeidsdeskundige gegeven motivering en is van oordeel dat de belasting in de genoemde functies binnen de belastbaarheid van appellant zoals vastgesteld in de FML van 13 augustus 2009 blijft.


3.7. Ten slotte overweegt de Raad, naar aanleiding van hetgeen daarover namens appellant is aangevoerd, nog dat, gelet op de aanpassingen in de FML en de nadere rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 7 mei 2009 en 18 augustus 2009 en van de bezwaarverzekeringsarts van 24 november 2009, het Uwv in voldoende mate gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 5 maart 2009.


4. Uit de overwegingen 3.3 en 3.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2011.


(get.) J.W. Schuttel.


(get.) T.J. van der Torn.


NK