Centrale Raad van Beroep, 05-07-2011 / 10/3635 BESLU + 10/3637 BESLU


ECLI:NL:CRVB:2011:BR1214

Inhoudsindicatie
Toekenning verzoek om schadevergoeding. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 15 juni 2010 is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-07-05
Publicatiedatum
2011-07-13
Zaaknummer
10/3635 BESLU + 10/3637 BESLU
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/3635 BESLU + 10/3637 BESLU


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het verzoek om schadevergoeding van:


[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),


met als partijen:


betrokkene


en


de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) (hierna: Staat)


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: het College)


Datum uitspraak: 5 juli 2011


I. PROCESVERLOOP


Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 maart 2007, 06/1225, in het geding tussen betrokkene en het College.


Bij uitspraak van 15 juni 2010 (LJN BN0228) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad, voor zover hier van belang, bepaald dat het onderzoek onder de in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad naast het College de Staat aangemerkt als partij in die procedure.


Namens de Staat heeft E.H. Linckens, juridisch medewerker bij de Raad voor de rechtspraak, een schriftelijke uiteenzetting gegeven en namens het College mr. P.D. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden. Namens betrokkene heeft

mr. drs. M.R. van der Pol, advocaat te Leeuwarden, schriftelijk gereageerd.


De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 mei 2011, waar partijen niet zijn verschenen.


II. OVERWEGINGEN


1.1. De uitspraak van de Raad van 15 juni 2010 betrof een procedure tussen betrokkene en het College met betrekking tot de Wet werk en bijstand (WWB). De procedure had ten tijde van de uitspraak van de Raad van 15 juni 2010 tien jaar en acht maanden geduurd. In genoemde uitspraak heeft de Raad overwogen dat de totale behandelingsduur in de eerste rechterlijke fase door overschrijding van de behandelingsduur bij de rechtbank niet minder dan drie jaar en een half jaar heeft geduurd. Voorts heeft de Raad overwogen dat de hernieuwde behandeling van de zaak bij de rechtbank en de Raad opgeteld vier jaar heeft geduurd, dat dit meer is dan de toegestane periode van drie en een half jaar, doch dat de Raad aanleiding ziet in deze fase een langere behandelingsduur gerechtvaardigd te achten van vier jaar en zeven maanden. Ten slotte heeft de Raad overwogen dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden. De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend.


1.2. Namens de Staat is - kort weergegeven - uiteengezet dat in de eerste rechterlijke fase de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden met een jaar en vier maanden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is aangegeven dat een vergoeding van € 1.500,-- redelijk kan worden geacht, welke vergoeding aan betrokkene zal worden betaald.


1.3. Het College heeft het standpunt ingenomen dat bij de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 6 oktober 1999, de redelijke termijn is overschreden met vier maanden, maar dat voor deze overschrijding een rechtvaardigingsgrond is, en dat bij de behandeling van het bezwaar na de uitspraak van de Raad van 15 juni 2010 de redelijke termijn met twee maanden is overschreden, en dat daarbij een schadevergoeding van € 500,-- past.


1.4. Betrokkene heeft, voor zover van belang, naar voren gebracht dat er geen aanleiding is de langere behandelingsduur in de rechterlijke fase bij de hernieuwde behandeling van de zaak gerechtvaardigd te achten en dat hij schadeloos dient te worden gesteld voor geleden immateriële schade ten bedrag van € 7.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente.


2. De Raad overweegt het volgende.


2.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.


2.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 15 juni 2010 is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 2.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.


2.3. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als het voorliggende verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 maart 2009 (LJN BH9991). Zoals de Raad in die uitspraak heeft overwogen moet in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bewaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Veiligheid en Justitie). Daarbij is in aanmerking genomen dat de vervolgprocedure noodzakelijk is geworden doordat het oorspronkelijke besluit op bezwaar de rechterlijke toetsing niet kon doorstaan.


2.4. Door het College is aangevoerd dat er in de eerste bezwaarprocedure aanleiding is een langere behandelingsduur dan in 2.2 weergegeven, gerechtvaardigd te achten nu de bezwaarcommissie een medisch advies heeft gevraagd en een tweede hoorzitting op verzoek van betrokkene is gehouden. Anders dan het College ziet de Raad geen grond voor de behandeling van het bezwaar een langere behandelingsduur gerechtvaardigd te achten in verband met de inschakeling van een medisch adviseur. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de onder 2.2 genoemde behandelingsduur die voor de behandeling van het bezwaar geldt, in het algemeen voldoende ruimte biedt voor het normale verloop van een bezwaarprocedure, de inschakeling van een medisch adviseur daaronder begrepen. Slechts onder bijzondere omstandigheden zal een langere behandelingsduur gerechtvaardigd zijn, maar van dergelijke omstandigheden is hier niet gebleken. Het houden van een tweede hoorzitting kan in het onderhavige geval evenmin als een dergelijke omstandigheid worden aangemerkt.


2.5. Door betrokkene is aangevoerd dat er geen aanleiding is de langere behandelingsduur in de rechterlijke fase bij de hernieuwde behandeling van de zaak gerechtvaardigd te achten. De Raad ziet echter geen grond hierover anders te oordelen dan in zijn uitspraak van 15 juni 2010.


2.6. Voor de voorliggende zaak leidt dit alles tot het volgende. De procedure had ten tijde van de uitspraak van 15 juni 2010 tien jaar en acht maanden geduurd. De redelijke termijn van - in dit geval - vijf jaar en een maand is daarmee met vijf jaar en zeven maanden overschreden. Dit leidt, bij een vergoeding van € 500,-- per half jaar of gedeelte daarvan, tot een schadevergoeding van € 6.000,--. De behandeling door de rechtbank en de Raad tezamen heeft in de eerste rechterlijke fase vier jaar en negen maanden geduurd, waarmee de rechter de hem toekomende behandelingsduur van drie en een half jaar in de eerste fase met een jaar en drie maanden heeft overschreden. Gezien deze overschrijding is de door de Staat toegekende schadevergoeding van € 1.500,-- niet te laag. De resterende € 4.500,-- komt ten laste van het College. De Raad zal het College en de Staat tot vergoeding van deze bedragen veroordelen. De separate procedure voor de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft niet onnodig lang geduurd.


3. Aangezien eerst heden is vastgesteld dat schade is geleden en wat de omvang van die schade is, is er voor de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente geen plaats.


4. De Raad ziet ten slotte aanleiding om de Staat en het College te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 322,-- ten laste van de Staat en € 322,-- ten laste van het College, voor verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,--;

Veroordeelt het College tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 4.500,--;

Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Veiligheid en Justitie) in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,--;

Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,--;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.


Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.


(get.) A.B.J. van der Ham.


(get.) R. Scheffer.


HD