Centrale Raad van Beroep, 21-07-2011 / 10- 5086 WUV


ECLI:NL:CRVB:2011:BR3167

Inhoudsindicatie
Het besluit om de vergoeding voor acupunctuur na een jaar te beperken tot 15 behandelingen kan de rechterlijke toets niet doorstaan. Vanaf 2004/2005 is altijd een medische noodzaak aanwezig geacht voor 30 behandelingen acupunctuur per jaar. Volstaan is thans met een beleidsmatige beslissing om dat aantal te halveren, welke beslissing niet medisch is onderbouwd. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-07-21
Publicatiedatum
2011-07-27
Zaaknummer
10- 5086 WUV
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/5086 WUV


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (Israël), (hierna: appellante),


en


de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)


Datum uitspraak: 21 juli 2011


I. PROCESVERLOOP


In dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.


Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 juli 2010, nr. BZ01 WUV 000124. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verder: bestreden besluit.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2011. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante, geboren in 1929, is bij besluit van 15 februari 1974 erkend als vervolgingsslachtoffer in de zin van de Wuv. Bij besluit van 13 juni 2007 is aan haar voor de periode van 1 juli 2007 tot 1 juli 2010 vergoeding toegekend voor maximaal

30 acupunctuurbehandelingen per jaar en de kosten van vervoer in verband met die behandelingen. Deze voorziening was haar ook al eerder toegekend.


1.2. In oktober 2009 heeft appellante verzocht om voortzetting van de vergoeding voor acupunctuurbehandelingen en vergoeding voor fysiotherapie, beide voor onbeperkte duur vanwege haar leeftijd. Bij besluit van 29 december 2009 is aan appellante met ingang van 1 oktober 2009 een vergoeding toegekend voor in totaal maximaal 30 behandelingen per jaar, acupunctuur en fysiotherapie, en het vervoer in verband met die behandelingen. Nadat appellante hiertegen bezwaar had gemaakt is bij het bestreden besluit een vergoeding toegekend voor de kosten van maximaal 30 acupunctuur-behandelingen met ingang van 1 juli 2010 en een vergoeding voor de kosten van 24 fysiotherapie-behandelingen met ingang van 1 oktober 2009. Het besluit van 13 juni 2007 werd hierbij alsnog gehandhaafd. Hierbij is overwogen dat, gelet op de samenhang van de toegekende vergoeding voor fysiotherapie en acupunctuur, een medische noodzaak is vastgesteld voor niet meer dan 15 acupunctuur-behandelingen. Gelet op de eerdere toekenningen van

30 behandelingen is voor een overgangsperiode van één jaar nog eenmaal vergoeding voor 30 behandelingen acupunctuur toegekend.


2. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat zij deze voorzieningen voor onbepaalde duur toegekend wil hebben. Verder acht zij het onterecht dat de vergoeding voor acupunctuur gehalveerd zal worden na een jaar.


3. Verweerder heeft aangevoerd dat voorzieningen bij chronische klachten waarvoor de voorziening is toegekend volgens geldende richtlijnen, bij de derde herhalingsaanvraag voor onbepaalde tijd kunnen worden toegekend voor maximaal 15 behandelingen per jaar. Omdat de vergoeding voor fysiotherapie pas nu voor de eerste keer is toegekend, er meer dan 15 behandelingen zijn toegekend en er sprake is van een overgangsperiode, kunnen de voorzieningen nu niet voor onbepaalde tijd worden toegekend.

Het beroep dient volgens verweerder ten aanzien van de beperking van het aantal acupunctuur-behandelingen na een jaar niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat daarover nog geen besluit is genomen.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1. Allereerst kan de Raad verweerder niet volgen in het standpunt dat appellante niet-ontvankelijk is in haar beroep, voor zover dit betreft de halvering van het aantal te vergoeden behandelingen voor acupunctuur. Hieromtrent is in het bestreden besluit een duidelijk standpunt ingenomen, namelijk dat na de overgangsperiode van één jaar nog

15 behandelingen worden vergoed (en niet langer 30, zoals reeds sinds 2004/2005 is gebeurd). Dit is een op rechtsgevolg gericht element van het besluit.


4.2. Op grond van de richtlijnen die verweerder hanteert voor vergoedingen als deze kunnen acupunctuur en fysiotherapie naast elkaar worden vergoed. Vastgesteld is door verweerder dat bij appellante sprake is van psychosomatische klachten, waarvoor deze voorzieningen worden verstrekt. Voor dergelijke klachten kunnen volgens de richtlijnen maximaal 24 behandelingen fysiotherapie worden vergoed en dat aantal is ook toegekend. Dat verweerder deze vergoeding niet heeft toegekend voor onbepaalde tijd acht de Raad niet onhoudbaar, alhoewel inmiddels wel duidelijk is dat de klachten van appellante chronisch zijn. Verweerder kent echter niet meer dan 15 behandelingen per jaar toe voor langere tijd in dergelijke gevallen en aan appellante zijn 24 behandelingen toegekend.


4.3. Het besluit om de vergoeding voor acupunctuur na een jaar te beperken tot 15 behandelingen kan de rechterlijke toets echter niet doorstaan. Vanaf 2004/2005 is altijd een medische noodzaak aanwezig geacht voor 30 behandelingen acupunctuur per jaar. Volstaan is thans met een beleidsmatige beslissing om dat aantal te halveren, welke beslissing niet medisch is onderbouwd.


5. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante gegrond te worden verklaard en komt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het bezwaar van appellante moeten nemen.


6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad ten slotte niet gebleken.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Draagt verweerder op binnen drie maanden na deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2011.


(get.) A. Beuker-Tilstra.



(get.) K. Moaddine.


HD