Centrale Raad van Beroep, 29-07-2011 / 10-384 AOW


ECLI:NL:CRVB:2011:BR3847

Inhoudsindicatie
Korting op partnertoeslag wegens niet-verzekerde jaren. Ambtshalve: onbevoegdheid rechtbank voor gedekt verklaard. Huwelijkse tijdvakken voor en na 1 november 2004. Vrijwillige verzekering. Onbekendheid met regelgeving. Geen actieve informatieplicht van het Svb. 1) Niet gebleken dat appellante per 1 november 2004 is toegelaten tot de vrijwillige verzekering. Naar het oordeel van de Raad vallen aanspraken die werknemers ontlenen aan artikel 21 NMV (oud) en de beleidsmatige toepassing van het NMV (oud), onder het bereik van de beschermende werking van artikel 39 NMV (oud). De Raad overweegt in dit verband dat de wijziging van artikel 21 NMV en de toevoeging van artikel 3, sub b, van het Slotprotocol, voor gevallen waarin de echtgenote zich na 1 november 2004 niet vrijwillig heeft verzekerd en het bepaalde in artikel 21, vierde lid, van het gewijzigde NMV door de Svb wordt tegengeworpen, zodanig overeenkomt met de door de verdragsstaten bedoelde situatie van een (gedeeltelijke) opzegging van het Verdrag dat zij daarmee op één lijn is te stellen. Dat huwelijkse tijdvakken in de zin van artikel 21 NMV (oud) niet het karakter hebben van echte verzekeringstijdvakken die worden opgebouwd in de tijd en alleen kunnen worden verzilverd indien ook op het moment van de beslissing op een pensioenaanvraag aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, doet er niet aan af dat deze huwelijkse tijdvakken wèl het karakter hebben van aanspraken in de zin van artikel 39 NMV (oud) en derhalve ook na 1 november 2004 moeten worden gehonoreerd indien en zolang betrokkenen aan bedoelde voorwaarden voldoen. Besluit 1 is strijdig met het NMV. 2) Weigering appellante toe te laten tot de vrijwillige verzekering. Verzoek niet tijdig ingediend. Svb is niet gehouden om appellante op grond van het gewijzigde NMV toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de AOW.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-07-29
Publicatiedatum
2011-08-02
Zaaknummer
10-384 AOW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NJB 2011/1719
  • USZ 2011/272
Uitspraak

10/384 AOW en 10/385 AOW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op de hoger beroepen van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant), en


[appellante], wonende te Marokko (appellante),


hierna tezamen ook te noemen: appellanten,


tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 december 2009, 08/1771 en 09/843 (hierna: aangevallen uitspraak),


in de gedingen tussen:


appellanten


en


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).


Datum uitspraak: 29 juli 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. G. Tuenter, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.


De Svb heeft een verweerschrift ingediend en naar aanleiding van vragen van de Raad bij brieven van 23 augustus 2010 en 28 maart 2011 zijn standpunt nader toegelicht.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011. Appellant is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G. Tuenter, voornoemd. De Svb was vertegenwoordigd door mr. N. Zuidersma, mr. T.E.C. Werner en J.Y. van den Berg.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Ambtshalve overweegt de Raad allereerst het volgende.


1.2. In artikel 8:7, tweede lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats heeft in Nederland, de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft, bevoegd is.


1.3. Ten tijde van het instellen van beroep had appellante geen woonplaats in Nederland. Zij woonde ook toen in Marokko. Aangezien de Svb zijn zetel heeft te Amstelveen, betekent dit dat niet de rechtbank Zutphen bevoegd was om op het beroep van appellante te beslissen, maar de rechtbank Amsterdam. Daar doet niet aan af dat de rechtbank Zutphen het beroep van appellante op gezamenlijk verzoek van appellanten gevoegd heeft behandeld met het beroep van appellant.


1.4. De Raad ziet om redenen van proceseconomische aard aanleiding om met toepassing van artikel 28 van de Beroepswet de onbevoegdheid van de rechtbank Zutphen in de zaak van appellante voor gedekt te verklaren en de aangevallen uitspraak in zijn geheel als bevoegdelijk gedaan aan te merken.


2.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.


2.2. Appellant is [in] 1943 in Marokko geboren en heeft zich in september 1970 in Nederland gevestigd. Sindsdien woont hij hier te lande. Appellante is [in] 1948 in Marokko geboren, woont sinds haar geboorte ononderbroken in Marokko, en heeft nimmer eigen inkomsten genoten. Appellanten zijn sinds 1966 met elkaar gehuwd.


2.3. Bij formulier van 22 januari 2008 heeft appellant een uitkering aangevraagd op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).


2.4. Bij besluit van 26 mei 2008 heeft de Svb met ingang van juli 2008 een ouderdomspensioen en een partnertoeslag aan appellant toegekend. Daarbij is op het ouderdomspensioen een korting toegepast van 24% wegens 12 niet-verzekerde jaren, terwijl op de partnertoeslag een korting is toegepast van 90% wegens 45 niet-verzekerde jaren.


2.5. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 mei 2008. Daarbij heeft appellant aangevoerd dat aanspraak wordt gemaakt op een hogere partnertoeslag, aangezien appellante financieel volledig van hem afhankelijk is en appellant niet in aanmerking komt voor een aanvulling van zijn inkomen vanuit de bijstand.


2.6. Bij besluit van 24 september 2008 (hierna: besluit op bezwaar 1) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 mei 2008 ongegrond verklaard onder de overweging dat niet is gebleken dat appellante per 1 november 2004 is toegelaten tot de vrijwillige verzekering voor de AOW. Ter toelichting is daarbij aangegeven dat op

1 november 2004 het verdrag tot wijziging van het Algemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen Nederland en Marokko van 14 februari 1972 (NMV) in werking is getreden en dat daarbij de tot 1 november 2004 in het NMV neergelegde regeling inzake huwelijkse tijdvakken is vervangen door de mogelijkheid een vrijwillige verzekering voor de AOW af te sluiten voor in Marokko wonende echtgenotes van Marokkaanse werknemers in Nederland. Huwelijkse tijdvakken van vóór de verdragswijziging worden uitsluitend als tijdvakken van verzekering van de in Marokko wonende echtgenoot beschouwd indien deze zich per 1 november 2004 vrijwillig heeft verzekerd voor de AOW.


2.7. Bij brief van 13 november 2008 is namens appellante verzocht om haar per 1 november 2004 toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de AOW.

Bij besluit van 19 februari 2009 heeft de Svb op dit verzoek afwijzend beslist.


2.8. Bij besluit van 3 juni 2009 (hierna: besluit op bezwaar 2) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard dat namens appellante is gemaakt tegen de in het besluit van 19 februari 2009 neergelegde weigering om haar per 1 november 2004 toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de AOW. Daartoe is overwogen dat appellante haar verzoek om toelating niet tijdig heeft ingediend.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen besluit op bezwaar 1 en besluit op bezwaar 2 ongegrond verklaard. Geoordeeld is daarbij dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ingevolge de wijzigingen in het NMV vóór 1 november 2004 opgebouwde rechten van in Marokko wonende echtgenotes uitsluitend behouden zijn indien de betreffende echtgenotes toegelaten zijn tot de vrijwillige verzekering voor de AOW. Verder is geoordeeld dat het beroep van appellanten op onbekendheid met de gewijzigde regels niet slaagt, omdat deze onbekendheid geen grond oplevert om een bijzonder geval aanwezig te achten. In dit verband is opgemerkt dat de Svb destijds zo veel mogelijk bekendheid heeft gegeven aan de gewijzigde regels.


4.1. In hoger beroep hebben appellanten een beroep gedaan op artikel 21 van het NMV zoals dat gold tot 1 november 2004 en is gesteld dat de Svb een inbreuk maakt op het eigendomsrecht van appellanten door in het ouderdomspensioen van appellant de huwelijkse tijdvakken niet te honoreren. Dit achten appellanten strijdig met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


4.2. De Svb heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.2.1. Iedereen die rechtmatig in Nederland woont of werkt en de leeftijd van 15 jaar maar nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, is verzekerd voor de AOW en heeft bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar recht op een individueel ouderdomspensioen overeenkomstig de bepalingen van de AOW. Daarnaast hebben gehuwde pensioengerechtigden die vóór 1950 zijn geboren, recht op een partnertoeslag overeenkomstig de bepalingen van de AOW indien en zolang hun echtgenoot jonger is dan 65 jaar.


5.2.2. Ingevolge artikel 13 van de AOW wordt op het ouderdomspensioen en op de partnertoeslag een korting toegepast van 2% voor elk kalenderjaar dat de pensioengerechtigde respectievelijk zijn echtgenoot niet verzekerd is geweest na het bereiken van de 15-jarige leeftijd, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd.


5.2.3. Niet in geschil is dat de Svb bij de bepaling van het ouderdomspensioen van appellant terecht een korting van 24% heeft toegepast wegens 12 niet-verzekerde jaren. Verder is niet in geschil dat appellante volgens de nationale regelgeving nimmer verzekerd is geweest voor de AOW, dat appellante krachtens de nationale regelgeving niet bevoegd is om zich (alsnog) vrijwillig te verzekeren voor de AOW, en dat op de aan appellant toegekende partnertoeslag overeenkomstig de thans in de AOW neergelegde wettelijke voorschriften een korting is toegepast van 90% wegens 45 niet-verzekerde jaren.


5.3.1. Gelet op het voorgaande worden de Svb en appellanten in de onderhavige gedingen primair verdeeld gehouden door de vraag of de Svb een juiste uitleg en toepassing heeft gegeven aan het NMV, het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1972, 34, hierna: NMV oud) en het op

1 november 2004 in werking getreden wijzigingsverdrag van 30 september 1996 (Trb. 1996, 298, Trb. 2004, 274). De Raad overweegt daarover als volgt.


5.3.2. De AOW zoals die in 1957 in werking trad, was voor gehuwden gebaseerd op het kostwinnersprincipe. Echtgenoten van kostwinners waren, indien zij in Nederland woonden, in de regel van rechtswege verzekerd voor de AOW, maar betaalden - als ze geen premieplichtige arbeid verrichtten of andere inkomsten hadden - geen premies. Zolang een huwelijk duurde kwamen de rechten van beide echtgenoten tot uitbetaling via een pensioentoekenning aan de kostwinner. De kostwinner was in de regel een man, zodat het kostwinnersprincipe leidde tot indirect onderscheid naar geslacht. In de loop van de tijd won de gedachte veld dat dit onderscheid niet (meer) gerechtvaardigd was. Daarom, en om te voldoen aan Richtlijn nr. 79/7/EEG, is bij Wet van 6 december 1984 (Stb. 622) per 1 april 1985 in de nationale regeling een stelsel ingevoerd dat voorziet in een individueel ouderdomspensioen voor iedere gehuwde 65-plusser van 50% van het nettominimumloon. Gehuwde pensioengerechtigden met een partner jonger dan 65 jaar kregen daarnaast recht op een inkomensafhankelijke partnertoeslag die ten hoogste gelijk is aan 50% van nettominimumloon.


5.3.3. Ook volgens de oude nationale regeling waren echtgenoten van buitenlandse werknemers niet verplicht (mee)verzekerd voor de AOW zolang zij niet zelf in Nederland woonden of werkten. Om een onvolledige pensioenopbouw te voorkomen waar niet werkende echtgenotes in hun woonland geen toereikend pensioen opbouwden, is in de eerste Europese coördinatieverordeningen en in diverse bilaterale verdragen die vanaf eind jaren zestig van de vorige eeuw zijn gesloten, bepaald dat de in het buitenland wonende echtgenotes van buitenlandse werknemers in Nederland (premievrij) zogenoemde ‘huwelijkse tijdvakken’ opbouwen: bij de berekening van het ouderdomspensioen van de man moest de in het buitenland wonende echtgenote geacht worden voor de AOW meeverzekerd te zijn geweest over de periode dat haar echtgenoot in Nederland werkzaam was. Illustratief in dit verband is artikel 21, eerste lid, van het NMV (oud). Dit luidt:

‘1. Bij de berekening van het krachtens de Nederlandse wettelijke regelingen aan een verzekerde man verschuldigde ouderdomspensioen, worden de tijdvakken van het woonachtig zijn in Marokko welke vóór het bereiken van de 65-jarige

leeftijd door diens chtgenote gedurende hun huwelijk zijn vervuld, als tijdvakken van verzekering beschouwd, voor zover zij samenvallen met door de verzekerde man volgens de Nederlandse wettelijke regelingen vervulde tijdvakken van

verzekering.’

Soortgelijke regelingen inzake huwelijkse tijdvakken zijn opgenomen (geweest) in bilaterale verdragen inzake de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden enerzijds en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (Trb. 1977, nr. 156, artikel 28), de Republiek Tunesië (Trb. 1979, nr. 18, artikel 32), en de Republiek Kaapverdië (Trb. 1982, nr. 20, artikel 24) anderzijds.


5.3.4. Na de wijziging van de AOW per 1 april 1985, waarbij voor echtgenoten een individueel recht op ouderdomspensioen werd geïntroduceerd, kon de Svb niet langer zonder meer toepassing geven aan het NMV (oud) en het bijbehorend Administratief Akkoord. Uitgangspunt werd dat de Svb een zodanige toepassing aan de AOW diende te geven dat de verdragsvoordelen die voortvloeien uit het NMV (oud) zo volledig mogelijk geëffectueerd werden. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 11 mei 1988, AOW 1987/39, RSV 1989, 9.


5.3.5. De Svb is er vanaf 1 april 1985 beleidsmatig toe overgegaan de huwelijkse tijdvakken te honoreren in de partnertoeslag van de man zolang de vrouw de 65-jarige leeftijd nog niet had bereikt, en in de vorm van een ouderdomspensioen voor de vrouw zodra zij die leeftijd had bereikt. Daarbij werden slechts rechten toegekend zolang het huwelijk van de vrouw met de man aan wiens verzekeringspositie de tijdvakken werden ontleend, voortduurde. Werd er een echtscheiding uitgesproken of kwam de man te overlijden, dan zou de vrouw immers ook vóór 1 april 1985 aan het NMV (oud) geen rechten hebben kunnen ontlenen. Daarom werd aan de vrouw in deze situaties ook na de wijziging van de AOW per 1 april 1985 geen ouderdomspensioen toegekend. Volgens vaste rechtspraak - de Raad wijst hier op zijn uitspraak van 2 december 2005, LJN AU7656 - kon de omschreven beleidsmatige toepassing van het NMV (oud) de rechterlijke toetsing doorstaan.


5.3.6. Per 1 november 2004 is het wijzigingsverdrag van 30 september 1996 in werking getreden. Daarbij is de in het NMV (oud) neergelegde regeling inzake huwelijkse tijdvakken vervangen door een regeling die het voor in Marokko wonende echtgenoten mogelijk maakt om een onafhankelijk recht op een individueel ouderdomspensioen te verkrijgen door zich - binnen een gestelde aanmeldtermijn - vrijwillig te verzekeren voor de AOW. Artikel 21 van het gewijzigde NMV luidt:

‘1. De in artikel 13, eerste lid, van de AOW (Algemene Ouderdomswet) bedoelde korting is niet van toepassing op de voor de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag gelegen tijdvakken gedurende welke de echtgenote of weduwe na het bereiken van de 15-jarige leeftijd en voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet verzekerd was krachtens de voornoemde wettelijke regeling terwijl zij, gedurende haar huwelijk, op het grondgebied van het Koninkrijk Marokko woonde, voor zover deze tijdvakken overeenkomen met de door haar echtgenoot krachtens deze wettelijke regeling vervulde tijdvakken van verzekering.

2. De in artikel 13, tweede lid, van de AOW bedoelde korting is niet van toepassing op de voor de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag gelegen tijdvakken gedurende welke de echtgenote van de rechthebbende na het bereiken van de 15-jarige leeftijd en voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet verzekerd was krachtens de voornoemde wettelijke regeling terwijl zij, gedurende haar huwelijk, op het grondgebied van het Koninkrijk Marokko woonde, voor zover deze tijdvakken overeenkomen met de door haar echtgenoot krachtens deze wettelijke regeling vervulde tijdvakken van verzekering.

3. In afwijking van het bepaalde in artikel 45, eerste lid, van de AOW (…), is de op het grondgebied van het Koninkrijk Marokko wonende echtgenoot van een werknemer die onderworpen is aan het stelsel van verplichte verzekering uitsluitend bevoegd zich krachtens deze wettelijke regelingen vrijwillig te verzekeren over tijdvakken gelegen na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, gedurende welke de werknemer krachtens deze wettelijke regelingen verplicht verzekerd is. Deze bevoegdheid eindigt op de dag waarop het tijdvak van verplichte verzekering van de werknemer eindigt. Deze bevoegdheid eindigt echter niet wanneer de verplichte verzekering van de werknemer onderbroken is ten gevolge van het overlijden van de werknemer en wanneer de bovengenoemde echtgenoot slechts een pensioen ontvangt krachtens de AWW. In ieder geval eindigt de bevoegdheid zich vrijwillig te verzekeren op de dag waarop de vrijwillig verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt. (…)

4. De in het voorgaande lid bedoelde bevoegdheid wordt slechts verleend

- indien de genoemde echtgenoot van de werknemer de Sociale Verzekeringsbank binnen een termijn van ten hoogste een jaar, volgend op het begin van het tijdvak van verplichte verzekering van laatstgenoemde in kennis heeft gesteld van zijn voornemen vrijwillig premie te betalen;

- indien de genoemde echtgenoot van de werknemer, die op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag of onmiddellijk voorafgaand aan die datum verplicht verzekerde is geworden, de Sociale Verzekeringsbank binnen een termijn van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van de genoemde wijziging, in kennis heeft gesteld van zijn voornemen vrijwillig premie te betalen.

5. (…).’

Verder is per 1 november 2004 een Slotprotocol aan het NMV toegevoegd. Artikel 3 van dit Slotprotocol, voor zover in deze gedingen van belang, luidt:

‘3. Toepassing van de Nederlandse wettelijke regelingen inzake de ouderdomsverzekering.

a. (…)

b. Het eerste en het tweede lid van artikel 21 van het Verdrag zijn slechts van toepassing op de echtgenoot die zich vrijwillig heeft verzekerd krachtens het derde lid van artikel 21 van het Verdrag.’


5.3.7. De Svb heeft besluit op bezwaar 1 gebaseerd op de overweging dat huwelijkse tijdvakken van vóór de wijziging van het NMV ingevolge artikel 3, sub b, van het Slotprotocol - in beginsel en ook in het onderhavige geval - uitsluitend als tijdvakken van verzekering van de in Marokko wonende echtgenote dienen te worden beschouwd indien zij zich tijdig vrijwillig heeft verzekerd voor de AOW. Daarbij ziet de Svb artikel 21, eerste lid, NMV (oud) als louter een berekeningsbepaling die door het vervallen ervan niet meer mag worden toegepast nadat een gehuwde verzekerde man de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.


5.3.8. De Raad stelt vast dat indien de Svb uitsluitend het gewijzigde artikel 21 NMV en artikel 3, sub b, van het Slotprotocol toepast, terwijl de in Marokko wonende echtgenote niet krachtens het gewijzigde NMV wordt toegelaten tot de vrijwillige verzekering, aanspraken teniet worden gedaan op een partnertoeslag en op een ouderdomspensioen voor de in Marokko wonende echtgenote op grond van huwelijkse tijdvakken vervuld vóór 1 november 2004.

Aan het in dat geval uitsluitend toepassen van het gewijzigde artikel 21 NMV en artikel 3, sub b, van het Slotprotocol staat echter artikel 39 NMV (oud) in de weg. Artikel 39 NMV (oud) luidt:

‘1. Bij opzegging van dit Verdrag wordt elk recht dat met toepassing van dit Verdrag is verkregen, gehandhaafd.

2. Aanspraken op grond van tijdvakken, vervuld vóór de datum, waarop de opzegging van kracht is geworden, worden niet door de opzegging teniet gedaan;

(…).’

Naar het oordeel van de Raad vallen aanspraken die werknemers ontlenen aan artikel 21 NMV (oud) en de bij punt 5.3.5 omschreven beleidsmatige toepassing van het NMV (oud), onder het bereik van de beschermende werking van artikel 39 NMV (oud). De Raad overweegt in dit verband dat de wijziging van artikel 21 NMV en de toevoeging van artikel 3, sub b, van het Slotprotocol, voor gevallen waarin de echtgenote zich na 1 november 2004 niet vrijwillig heeft verzekerd en het bepaalde in artikel 21, vierde lid, van het gewijzigde NMV door de Svb wordt tegengeworpen, zodanig overeenkomt met de door de verdragsstaten bedoelde situatie van een (gedeeltelijke) opzegging van het Verdrag dat zij daarmee op één lijn is te stellen. Dat huwelijkse tijdvakken in de zin van artikel 21 NMV (oud) niet het karakter hebben van echte verzekeringstijdvakken die

worden opgebouwd in de tijd en alleen kunnen worden verzilverd indien ook op het moment van de beslissing op een pensioenaanvraag aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, doet er niet aan af dat deze huwelijkse tijdvakken wèl het karakter hebben van aanspraken in de zin van artikel 39 NMV (oud) en derhalve ook na 1 november 2004 moeten worden gehonoreerd indien en zolang betrokkenen aan bedoelde voorwaarden voldoen.


5.3.9. Uit het voorgaande volgt dat besluit op bezwaar 1 strijdig is met het NMV en dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak slaagt voor zover bij die uitspraak het beroep van appellant tegen besluit op bezwaar 1 ongegrond is verklaard.


5.3.10. Gelet op punt 5.3.9 komt de Raad niet toe aan een beoordeling van de stelling van appellanten dat besluit op bezwaar 1 strijdig is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.


5.4.1. Met betrekking tot de vraag of appellante per 1 november 2004 krachtens het gewijzigde NMV had moeten worden toegelaten tot de vrijwillige verzekering voor de AOW overweegt de Raad als volgt.


5.4.2. Ingevolge artikel 21, vierde lid, van het gewijzigde NMV had appellante om in aanmerking te komen voor toelating tot de vrijwillige verzekering voor de AOW binnen een jaar na de inwerkingtreding van het wijzigingsverdrag bij de Svb een aanvraag moeten indienen. Deze lange termijn, die de Svb beleidsmatig nog heeft verlengd tot september 2006, is in het onderhavige geval ruimschoots overschreden, terwijl naar het oordeel van de Raad niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat deze overschrijding verschoonbaar is. Naar het de Raad voorkomt heeft alleen onbekendheid met de wijzigingen in het NMV, althans onbekendheid met de mogelijkheid om voor appellante een vrijwillige verzekering af te sluiten, in het geval van appellante in de weg gestaan aan het doen van een tijdige aanvraag. Een dergelijke onbekendheid met verdragsrechtelijke mogelijkheden levert op zichzelf geen bijzonder geval op. Verder acht de Raad het niet van doorslaggevende betekenis of, en zo ja wanneer, de Svb appellanten actief heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om voor appellante een vrijwillige verzekering voor de AOW af te sluiten. Te meer nu appellante in het buitenland woonde en aan de nationale regeling geen rechten ontleent had het namelijk primair op de weg van appellanten gelegen om de opbouw van pensioenrechten voor appellante nauwlettend in de gaten te houden en om tijdig zeker te stellen dat deze opbouw na

1 november 2004 werd voortgezet. Bovendien heeft niet alleen Nederland maar ook Marokko een verantwoordelijkheid voor een adequate voorlichting aan Marokkanen over wijzigingen in het NMV, met name indien deze in Marokko woonachtig zijn.


5.4.3. Uit het voorgaande volgt dat de Svb niet gehouden is om appellante op grond van het gewijzigde NMV toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de AOW en dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak faalt voor zover bij die uitspraak het beroep van appellante tegen besluit op bezwaar 2 ongegrond is verklaard.


6. Nu het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak slaagt voor zover bij die uitspraak het beroep van appellant tegen besluit op bezwaar 1 ongegrond is verklaard, zal de Raad deze uitspraak in zoverre vernietigen, het beroep tegen besluit op bezwaar 1 gegrond verklaren, en besluit op bezwaar 1 vernietigen. Gelet op punt 5.4.3 zal de Raad de aangevallen uitspraak voor het overige bevestigen.

De Svb zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 26 mei 2008. De Raad verstaat dat de Svb daarbij alsnog de vóór 1 november 2004 opgebouwde huwelijkse tijdvakken conform de onder punt 5.3.5 omschreven beleidsmatige toepassing van het NMV (oud) zal honoreren.


7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten begroot de Raad op € 1.518,- voor verleende rechtsbijstand, waarvan € 644,- voor beroep en € 874,- voor hoger beroep. Omdat voor het hoger beroep van appellant een bewijs van toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is overgelegd, moet het gedeelte van de proceskostenveroordeling dat betrekking heeft op het hoger beroep worden betaald aan de griffier van de Raad.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen besluit op bezwaar 1 ongegrond is verklaard;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep tegen besluit op bezwaar 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Svb een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,-;

Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 874,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht van € 149,- vergoedt;


Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2011.


(get.) M.M. van der Kade.


(get.) R.L. Venneman.


RK