Centrale Raad van Beroep, 06-09-2011 / 09-5039 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BS8915

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant niet is verschenen op een afspraak in verband met begeleiding naar werk en zich niet met een geldige reden heeft afgemeld. Van ‘het verlenen van onvoldoende medewerking’ in de zin van artikel 54, eerste lid, van de WWB is slechts dan sprake indien de belanghebbende onvoldoende medewerking verleent in het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand en niet indien hij onvoldoende medewerking verleent in het kader van een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Vernietiging bestreden besluit.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-09-06
Publicatiedatum
2011-09-15
Zaaknummer
09-5039 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/5039 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 augustus 2009, 09/213 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)


Datum uitspraak: 6 september 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. G. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2011. Voor appellant is mr. Bakker verschenen. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontving met ingang van 1 mei 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2. Bij brief van 17 juli 2008 heeft een medewerker van het team Groningen@Work van de Dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen (hierna: dienst) appellant meegedeeld dat de dienst hem actief wil begeleiden naar werk en hierover een gesprek met hem wil aangaan op 30 juli 2008. Daarbij is meegedeeld dat de betaling van de uitkering wordt opgeschort als appellant zonder opgaaf van redenen de afspraak niet nakomt en dat hij de volgende bewijsstukken dient mee te nemen: inschrijfbewijzen van uitzendbureaus, een curriculum vitae, een geldig legitimatiebewijs, sollicitatiebewijzen van het laatste jaar en afschriften van alle privé- en spaarrekeningen van de laatste maand. Omdat appellant deze afspraak niet is nagekomen, is hij bij brief van 31 juli 2008 uitgenodigd voor een gesprek op 6 augustus 2008. Deze brief is vrijwel gelijkluidend aan de brief van 17 juli 2008.


1.3. Bij besluit van 7 augustus 2008 heeft het College het recht op uitkering van appellant opgeschort met ingang van 6 augustus 2008 op de grond dat het onderzoek naar zijn uitkeringssituatie op dit moment niet kan worden afgehandeld omdat hij, zonder opgaaf van redenen, niet gereageerd heeft op de oproepen van 30 juli en 6 augustus 2008 voor een gesprek. Daarmee heeft appellant niet voldaan aan de inlichtingenverplichting. Appellant is in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Daartoe is hij uitgenodigd voor een gesprek op 13 augustus 2008. Voor de documenten die appellant naar de afspraak moet meenemen is verwezen naar de brief van 17 juli 2008. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend en heeft evenmin gehoor gegeven aan de oproep voor het gesprek op 13 augustus 2008.


1.4. Bij besluit van 13 augustus 2008 heeft het College de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken op de grond dat hij niet is verschenen op zijn afspraak en zich niet met een geldige reden heeft afgemeld.


1.5. Appellant heeft zich op 15 september 2008 gemeld voor het indienen van een aanvraag om bijstand. In het kader van de behandeling van deze aanvraag is appellant tweemaal opgeroepen voor een gesprek. Beide keren is hij niet verschenen. Het College heeft appellant met ingang van 15 september 2008 bijstand toegekend. Daarbij is afgezien van het opleggen van een maatregel wegens het geen gehoor geven aan oproepen om bij de dienst te verschijnen, omdat appellant kampt met een ernstige verslavingsproblematiek en door het geruime tijd verstoken zijn van uitkering financiële problemen heeft.


1.6. Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 augustus 2008 ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant niet heeft gereageerd op oproepen om op de dienst te verschijnen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 13 januari 2009 ongegrond verklaard.


3.1. In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 8 januari 2008, LJN BC2387, gesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Appellant heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat hij is opgeroepen om de plaatsing in een werkvoorzieningmogelijkheid, genaamd Springplank, te bespreken, zodat inhoudelijk sprake is van een voorziening in het kader van artikel 9 van de WWB en artikel 54 van de WWB ten onrechte is toegepast.


3.2. Het College handhaaft zijn standpunt dat appellant niet zijn arbeids- of re-integratieverplichting heeft geschonden, maar de inlichtingenverplichting. Appellant heeft immers niet gereageerd op een oproep om op een gesprek te verschijnen en de gevraagde documenten, waaronder sollicitatiebewijzen, niet overgelegd. Omdat het gaat om een schending die nog hersteld kan worden is het recht op bijstand opgeschort en een hersteltermijn geboden. Omdat appellant geen gehoor gaf aan de hersteltermijn is de bijstand terecht ingetrokken per datum opschorting. In dit verband heeft het College gewezen op de uitspraak van de Raad van 11 november 2008, LJN BG4758. Volgens het College verschilt de door appellant aangehaalde uitspraak van de onderhavige zaak, omdat hier is verzocht om bewijsstukken zoals sollicitatiebewijzen.


4. De Raad komt de tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.


4.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Artikel 17, tweede lid, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.


4.3. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.


4.4. Op grond van artikel 54, eerste lid, van de WWB kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten. Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.


4.5. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 20 juli 2010, LJN BN2722, heeft overwogen, is van ‘het verlenen van onvoldoende medewerking’ in de zin van artikel 54, eerste lid, van de WWB slechts dan sprake indien de belanghebbende onvoldoende medewerking verleent in het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand en niet indien hij onvoldoende medewerking verleent in het kader van een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat in artikel 9, eerste lid, van de WWB een specifieke regeling is opgenomen van de verplichtingen van de belanghebbende gericht op zijn arbeidsinschakeling en dat het bestuursorgaan op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden is de bijstand te verlagen in overeenstemming met de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WWB indien de belanghebbende die verplichtingen niet of onvoldoende nakomt behoudens in geval elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.


4.6. In de brieven van 17 juli en 31 juli 2008 is vermeld dat de dienst appellant actief wil begeleiden naar werk en hierover een gesprek met hem wil aangaan. In die brieven is geen ander doel van het gesprek aangegeven. Op grond hiervan stelt de Raad vast dat appellant uitsluitend is opgeroepen in het kader van de door de dienst geboden begeleiding van appellant bij zijn arbeidsinschakeling en niet (tevens) in het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand.


4.7. Uitgaande van hetgeen onder 4.5 en 4.6 is overwogen kan het feit dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de bij de brieven van 17 juli 2008 en 31 juli 2008 gedane oproepen naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als ‘het verlenen van onvoldoende medewerking’ in de zin van artikel 54, eerste lid, van de WWB. Evenmin was sprake van ‘het niet herstellen van een verzuim’ als bedoeld in artikel 54, vierde lid, van de WWB toen appellant niet verscheen voor het gesprek op 13 augustus 2008, waarvoor hij bij brief van 7 augustus 2008 was opgeroepen.


4.8. Het beroep dat het College heeft gedaan op de uitspraak van de Raad van 11 november 2008, LJN BG4758, leidt de Raad in het licht van de onder 4.5 vermelde uitspraak niet tot een ander oordeel, reeds omdat het College uitsluitend het geen gehoor geven aan de oproepen en niet mede het niet verstrekken van bewijsstukken aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd.


4.9. De conclusie van de Raad is dat het College ten onrechte de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB heeft ingetrokken met ingang van 7 augustus 2008. Dat betekent dat het besluit van 13 januari 2009 niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 13 januari 2009 wegens strijd met de wet vernietigen.


4.10. De Raad dient vervolgens te bezien welk gevolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Het is duidelijk dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit niet in stand kunnen worden gelaten. De Raad acht het niet mogelijk om zelf in de zaak te voorzien en evenmin aangewezen om een zogenoemde bestuurlijke lus toe te passen. De Raad stelt vast dat appellant ook over de periode van 7 augustus 2008 tot 15 september 2008 recht heeft op bijstand en dat het College gehouden is om de bijstand met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB in overeenstemming met de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WWB te verlagen wegens het niet verschijnen op oproepen. Gelet op hetgeen onder 1.5 is vermeld is het echter aan het College om, eventueel op basis van een nader onderzoek, te bezien of er grond is om van het opleggen van een maatregel af te zien. De Raad zal daarom het College opdragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.


5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 13 januari 2009;

Draagt het College op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 augustus 2008 met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2011.


(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.



(get.) R.L.G. Boot.


HD