Centrale Raad van Beroep, 15-09-2011 / 10-2390 AW


ECLI:NL:CRVB:2011:BT1755

Inhoudsindicatie
Ontslag op andere gronden. Geen sprake van een patroon van dubieuze ziekmeldingen. Onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat, objectief bezien, sprake was van een vertrouwensbreuk op grond waarvan(...) ontslag kon worden verleend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-09-15
Publicatiedatum
2011-09-16
Zaaknummer
10-2390 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2012/36
  • Module Ambtenarenrecht 2013/1339
  • Module Ambtenarenrecht 2014/1436
Uitspraak

10/2390 AW



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 maart 2010, 09/419 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (hierna: bestuur)



Datum uitspraak: 15 september 2011



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2011. Appellant is verschenen met bijstand van mr. B.J.H.L. Brouwer, advocaat te Apeldoorn. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Schuurman en L.J. Braskamp, beiden werkzaam bij het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU).



II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant was sinds 1 september 1990 werkzaam bij het Academisch Ziekenhuis Utrecht en het UMCU, laatstelijk in de functie van restaurantverzorger. Begin 2008 hebben zich problemen met de leidinggevenden voorgedaan over het functioneren en het ziekteverzuim van appellant. De teamleider is toen een “dagboek” over appellant gaan bijhouden. Op 23 mei 2008 zijn “spelregels” opgesteld die appellant in acht moet nemen bij ziekte in het buitenland. Op 23 juni 2008 heeft appellant zich vanuit Marokko telefonisch bij zijn teamleider ziek gemeld. Hij heeft de hierop betrekking hebbende medische verklaringen niet, zoals de spelregels hem voorschreven, per fax of e mail, maar per aangetekende brief naar het UMCU gestuurd. Op 9 juli 2008 heeft de teamleider appellant telefonisch opgeroepen om zich op 10 juli 2008 te melden. Appellant heeft hieraan geen gevolg gegeven. Ook een schriftelijke oproep om zich op 15 juli 2008 bij de arbo-dienst te melden heeft appellant niet opgevolgd. Op 28 juli 2008 heeft appellant de teamleider telefonisch laten weten in Nederland te zijn teruggekeerd. Hij heeft het werk echter niet hervat. Op 31 juli 2008 heeft een gesprek plaatsgevonden met de teamleider en de afdelingsmanager, waarin appellant met buitengewoon verlof is gestuurd en hem per 1 september 2008 ontslag is aangezegd.


1.2. Bij besluit van 6 augustus 2008 heeft het bestuur, met toepassing van artikel 12.12 van de CAO Universitair Medische Centra (CAO UMC), appellant met ingang van 1 september 2008 ontslag “op andere gronden” verleend. Bij besluit van 31 december 2008 is, voor zover hier van belang, het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit).


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.


3.1. Het in geding zijnde ontslag “op andere gronden” is verleend wegens een door het bestuur gestelde vertrouwensbreuk tussen appellant en diens leidinggevenden. Het bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat al jaren sprake is van een moeizame arbeidsrelatie, in die zin dat appellant zich moeilijk laat sturen of aanspreken op zijn gedrag. Meer in het bijzonder is overwogen dat gedurende de afgelopen vijf jaar bij appellant een patroon is geconstateerd van ziekmeldingen tijdens de zomervakanties en dat appellant zich niet houdt aan de richtlijnen bij ziekte.


3.2. In het betoog van het bestuur ziet de Raad centraal staan dat appellant een lange geschiedenis heeft van ziekmeldingen tijdens vakanties in Marokko, waarvan de juistheid vanuit Nederland moeilijk is te beoordelen. Uit de door het bestuur aan de Bezwarenadviescommissie verstrekte gegevens komt echter naar voren dat deze situatie zich alleen in 2004 en 2008 heeft voorgedaan. In 2005, 2006 en 2007 was weliswaar sprake van ziekte rond de vakantieperiode, maar bevond appellant zich tijdens die ziekte kennelijk (nog of alweer) in Nederland en was controle door een Nederlandse bedrijfsarts dus niet onmogelijk. Voor zover uit de stukken blijkt, zijn niet alleen deze ziekmeldingen maar ook alle overige ziekmeldingen in de periode vanaf 2001 steeds door de arbo-dienst aanvaard. Van een patroon van dubieuze ziekmeldingen, zoals door het bestuur gesuggereerd, kan naar het oordeel van de Raad dan ook niet worden gesproken. Dat de teamleider in 2008 aanleiding heeft gezien om speciaal voor appellant spelregels voor ziekte in het buitenland op te stellen, maakt dit niet anders. Het blijkbaar bij de teamleider levende gevoel van onbehagen met betrekking tot het ziektegedrag wordt immers onvoldoende door concrete feiten geschraagd.


3.3. Dit neemt niet weg - en appellant heeft ter zitting ook erkend - dat de spelregels mochten worden opgesteld en dat appellant zich eraan diende te houden. De spelregels lagen in het verlengde van de in het algemeen geldende richtlijnen bij ziekte. Zij hielden voornamelijk in dat appellant zich vanuit het buitenland direct ziek moest melden bij zijn leidinggevende, zich steeds bereikbaar diende te houden en alle medische papieren en doktersverslagen per fax of e mail aan de leidinggevende moest toesturen. Uit de gedingstukken, waaronder het dagboek van de teamleider, komt naar voren dat appellant deze spelregels niet in alle opzichten heeft nageleefd. De Raad kan echter niet tot de conclusie komen dat appellant hierbij zodanig te kort is geschoten dat dit het opzeggen van het vertrouwen in hem zou kunnen rechtvaardigen. Er is in ieder geval bij herhaling telefonisch contact met de teamleider geweest en appellant heeft - toen hij naar zijn zeggen per fax geen contact kon krijgen - zoveel mogelijk in de geest van de spelregels gehandeld door de medische verklaringen per aangetekende post op te sturen. Niet is gebleken dat de hierdoor veroorzaakte vertraging tot onoverkomelijke problemen heeft geleid. Dat de overgelegde doktersverklaringen naar Nederlandse maatstaven summier zijn en weinig inzicht geven in de onderzoeksbevindingen die de Marokkaanse arts tot zijn diagnose hebben geleid, kan op zichzelf niet aan appellant worden tegengeworpen. Bovendien is ook de dienstleiding in deze periode niet altijd even gelukkig te werk gegaan. Tussen partijen staat vast dat de op 9 juli telefonisch gedane oproep om zich op 10 juli in Nederland te melden, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet redelijk was. Dat de schriftelijke oproep om zich op 15 juli te melden appellant niet tijdig zou bereiken, was te voorzien, nu appellant zich immers in Marokko bevond.


3.4. Ook overigens heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat, objectief bezien, sprake was van een vertrouwensbreuk op grond waarvan met toepassing van artikel 12.12 van de CAO-UMC ontslag kon worden verleend. De gedingstukken laten zien dat er in de loop van het 18 jarige dienstverband enkele concrete incidenten zijn geweest, maar dit was in een betrekkelijk ver verleden en over de toedracht en de schuldvraag is weinig duidelijk geworden. Onmiskenbaar bestaat bij de leidinggevenden onvrede over het functioneren van appellant, over zijn ziekteverzuim en over de eigengereide wijze waarop hij zijn gang gaat, zonder zich veel van instructies aan te trekken. Het louter subjectieve gevoel dat er "rond appellant altijd gedoe is", kan echter niet als grond voor ontslag worden aanvaard. In voorkomende gevallen kan het bestuur appellant op basis van concrete feiten en omstandigheden aanspreken op zijn houding of gedrag. Het nemen van disciplinaire maatregelen en/of het uitzetten van een functionerings- of ongeschiktheidstraject ligt daarbij meer in de rede dan een ontslag op andere gronden.


3.5. De Raad komt tot de slotsom dat de wettelijke grondslag voor het ontslag ontbreekt, zodat dit geen stand kan houden. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het primaire ontslagbesluit te herroepen.


4. De Raad acht voorts termen aanwezig om het bestuur met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten van het bezwaar tot een bedrag van € 644,-, in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,- en in de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-, in totaal derhalve € 2.162,-, alles wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand en te betalen aan de griffier van de Raad.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 31 december 2008, voor zover dit betrekking heeft op het ontslag;

Herroept het besluit van 6 augustus 2008;

Veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.162,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het bestuur aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 369,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en R. Kooper en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2011.



(get.) J.G. Treffers.



(get.) B. Bekkers.