Centrale Raad van Beroep, 21-09-2011 / 10-4523 ZW


ECLI:NL:CRVB:2011:BT2283

Inhoudsindicatie
Geen recht op ziekengeld. Het Uwv is bij de totstandkoming van het bestreden besluit uitgegaan van een onjuiste maatstaf arbeid. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten is naar het oordeel van de Raad genoegzaam komen vast te staan dat de medische toestand van appellante vergelijkbaar was met die bij de beoordeling in 2007 in het kader van de Wet WIA en dat appellante op 1 juli 2008 dus onverminderd in staat was haar arbeid als plantenstekker te verrichten. De Raad ziet geen reden voor een nader medisch onderzoek. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-09-21
Publicatiedatum
2011-09-23
Zaaknummer
10-4523 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/4523 ZW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2010, 09/158 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 21 september 2011



I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Madern. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visch.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante, die van 19 december 2001 tot 1 november 2002 als plantenstekker heeft gewerkt, is op 1 november 2005 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet arbeidsongeschikt geworden wegens pijnklachten en spanningsklachten. Appellante is met ingang van 30 oktober 2007, in aansluiting op de wachttijd van 104 weken, niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).


1.2. Appellante heeft zich op 1 juli 2008, toen zij een werkloosheidsuitkering ontving, ziek gemeld.


1.3. Bij besluit van 8 augustus 2008 is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 1 juli 2008 geen recht heeft op ziekengeld, omdat zij niet ongeschikt wordt geacht voor de functies die bij de beoordeling in het kader van de Wet WIA waren geselecteerd.


1.4. Bij besluit van 5 december 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 augustus 2008, onder verwijzing naar het rapport van 4 december 2008 van de bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan, ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante onder verwijzing naar brieven van de behandelend sector aangevoerd dat zij maar moeizaam kan functioneren en ten onrechte geschikt is geacht voor vorenbedoelde functies. Zij heeft verzocht een medisch deskundige (psychiater) te benoemen.


4. De Raad overweegt het volgende.


4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder "zijn arbeid" in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad lijdt deze regel uitzondering in het geval verzekerde, na gedurende de maximum termijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig ander werk heeft hervat. Dan geldt als maatstaf de gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de Wet WIA, hetgeen betekent dat elk van de functies die in het kader van de Wet WIA voor de betrokken verzekerde geschikt zijn geacht, onder "zijn arbeid" in de zin van artikel 19 van de ZW wordt verstaan. Is betrokkene daarentegen bij zijn arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geschikt geacht voor de maatgevende arbeid dan geldt bij een ziekmelding, waaraan niet enige werkhervatting is voorafgegaan, dit werk als maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW.


4.2. De Raad stelt vast dat het Uwv bij de beoordeling van appellante in het kader van artikel 19 van de ZW als maatgevende arbeid heeft aangemerkt de functies die zijn geselecteerd bij de eerdere WIA-beoordeling.


4.3. Uit de in het kader van de WIA-beoordeling opgemaakte arbeidskundige rapporten is de Raad gebleken dat appellante destijds niet slechts geschikt werd geacht voor passende functies maar ook voor haar oude werk van plantenstekker. Hieruit volgt dat het Uwv bij de totstandkoming van het bestreden besluit is uitgegaan van een onjuiste maatstaf arbeid.


5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. De Raad ziet echter grond om te beoordelen of de rechtsgevolgen van dit besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kunnen worden gelaten.


6.1. Uit de gedingstukken blijkt dat zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts een onderzoek heeft ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellante. De bezwaarverzekeringsarts had verder de beschikking over informatie vanuit de behandelend sector en heeft deze informatie ook meegewogen in de beoordeling. De in hoger beroep door appellante overgelegde nadere medische informatie werpt geen ander licht op de gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten is naar het oordeel van de Raad genoegzaam komen vast te staan dat de medische toestand van appellante op de datum hier in geding vergelijkbaar was met die bij de beoordeling in 2007 in het kader van de Wet WIA en dat appellante op 1 juli 2008 dus onverminderd in staat was haar arbeid als plantenstekker, waarvan een functiebeschrijving in het dossier aanwezig is, te verrichten.

De Raad ziet dan ook geen reden voor een nader medisch onderzoek.


6.2. Op grond van hetgeen is overwogen onder 6.1 is de Raad van oordeel dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand moeten worden gelaten.


7. De Raad acht gronden aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor in beroep verleende rechtsbijstand en op € 874,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.518,- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 111,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011.


(get.) Ch. van Voorst.


(get.) H.L. Schoor.



EV