Centrale Raad van Beroep, 30-09-2011 / 10-2670 WAO


ECLI:NL:CRVB:2011:BT6392

Inhoudsindicatie
Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Minder dan 15% arbeidsongeschikt. De Raad overweegt dat van de zijde van het Uwv, mede in reactie op hetgeen daarover namens appellante is aangevoerd, is aangegeven dat in het verzekeringsgeneeskundig rapport van 22 januari 2009, in het arbeidskundig rapport van 30 januari 2009 en ook in het bestreden besluit ten onrechte ervan is uitgegaan dat in het onderhavige geval sprake is van een zogeheten amberbeoordeling, zij het een amberbeoordeling waarbij in verband met de verstrekking van ziekengeld aan appellante gedurende een periode van 104 weken, een eventuele toekenning van uitkering op grond van artikel 43a van de WAO eerst kan ingaan na afloop van die periode van 104 weken. De Raad ziet aanleiding het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 16 en artikel 19 van de WAO. Het bestreden besluit dient aldus te worden begrepen en getoetst dat daarbij is geweigerd appellante WAO-uitkering toe te kennen met ingang van de datum die aansluit op de reguliere wachttijd van 104 weken, te rekenen vanaf 1 april 2007 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Daarbij geldt dat de inhoudelijke verzekeringsgeneeskundige beoordeling alsmede de (primaire) arbeidskundige beoordeling zich ook hebben gericht op eerstbedoelde datum. Van de zijde van appellante wordt dit niet bestreden. De aldus te beantwoorden vraag of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten, wordt door de Raad bevestigend beantwoord. De Raad kan zich in navolging van de rechtbank en met overneming van de door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegde overwegingen met de medische grondslag van het bestreden besluit verenigen. Ook voor het overige geldt dat door de bezwaararbeidsdeskundige afdoende is toegelicht dat en waarom de drie functies die aan de schatting ten grondslag liggen wat betreft de daaraan verbonden belastende en ook overige aspecten binnen de grenzen blijven van appellantes mogelijkheden. In verband hiermee kan en zal de Raad in het midden laten wat er zij van de door appellante aangevoerde bezwaren tegen de reservefunctie van schoonmaker gebouwen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-09-30
Publicatiedatum
2011-10-04
Zaaknummer
10-2670 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/2670 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 april 2010, 09/2910 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 30 september 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2011. Voor appellante is verschenen mr. Van Willigen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.J. Reith.


II. OVERWEGINGEN


1.1. De voor de oordeelsvorming door de Raad van belang zijnde feiten en omstandigheden laten zich als volgt samenvatten.


1.2. Appellante heeft in verband met klachten van in het bijzonder psychische aard van 6 oktober 1998 tot 22 januari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Zij heeft daarna gewerkt als zogeheten orderpicker, uit welke functie zij per 17 januari 2007 is ontslagen. Vervolgens heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld.


1.3. In januari 2009 heeft verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Uit het daarvan opgemaakte verslag van 22 januari 2009 komt naar voren dat appellante tegenover de verzekeringsarts melding heeft gemaakt van zowel lichamelijke klachten - onder meer klachten van nek, schouders en armen - als psychische klachten. De verzekeringsarts heeft de eerste dag van (toegenomen) arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 1 april 2007. Zij heeft, daarbij ervan uitgaande dat advies dient te worden uitgebracht per het einde van een wachttijd van 104 weken, verschillende beperkingen van psychische en lichamelijke aard vastgelegd in de functionele mogelijkhedenlijst van

22 januari 2009.


1.4. Bij arbeidskundig onderzoek is vervolgens geconcludeerd dat appellante, gegeven die beperkingen, in aansluiting op evenvermelde wachttijd van 104 weken met verschillende loondienstfuncties nog een zodanig inkomen kan verwerven dat geen sprake is van enig verlies van verdiencapaciteit.


2.1. In overeenstemming met deze verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 6 februari 2009 geweigerd appellante voor een WAO-uitkering in aanmerking te brengen, op de grond dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is.


2.2. De bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige hebben zich kunnen verenigen met respectievelijk de conclusies van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. Bij besluit van 8 juni 2009, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 februari 2009 ongegrond verklaard, onder overweging dat zij op en na

28 april 2007 en ook na 28 april 2009 minder dan 15% arbeidsongeschikt is.


3.1. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.2. De rechtbank heeft onvoldoende reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Daartoe heeft de rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat het Uwv, naast de resultaten van eigen onderzoek door de verzekeringsartsen, ook beschikte over de zich in het dossier bevindende medische informatie uit eerdere procedures, terwijl daarnaast de verzekeringsarts overleg heeft gevoerd met de huisarts van appellante, waarbij ook recente informatie van de Gelderse Roos is besproken. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus sprake geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek en kunnen de conclusies van dat onderzoek worden onderschreven.


3.3. Dat geldt ook voor de klachten van appellante met betrekking tot een carpaal tunnelsyndroom (CTS). De stelling van appellante dat de verzekeringsartsen deze klachten hebben genegeerd, wordt door de rechtbank niet gevolgd, in welk verband is overwogen dat door de verzekeringsarts is gerapporteerd dat sprake is geweest van een - niet geopereerde - CTS en dat ook bezwaarverzekeringsarts Huijsmans in zijn rapport de CTS-klachten specifiek vermeldt. De rechtbank deelt de zienswijze van Huijsmans dat er onvoldoende medische onderbouwing is om hiervoor extra beperkingen aan te nemen. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank ten slotte overwogen dat, anders dan appellante heeft gesteld, door de verzekeringsartsen niet slechts de situatie in 2009 is bezien, maar ook die in 2007.


3.4. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat door de bezwaararbeidsdeskundige voldoende is onderbouwd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante medisch passend zijn te achten. Met betrekking tot hetgeen appellante daarover heeft aangevoerd, overwoog de rechtbank tevens dat onvoldoende reden bestaat om in twijfel te trekken dat appellante ook voldoet aan de voor die functies geldende opleidingseisen.


4.1. In hoger beroep heeft appellante in de eerste plaats aangevoerd dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling ten onrechte alleen gericht is geweest op haar medische situatie per einde wachttijd van 104 weken in het jaar 2009 en dat niet tevens is geoordeeld over de datum na einde amberwachttijd van 4 weken in april 2007.


4.2. Voorts houdt appellante staande dat zij wat betreft zowel haar psychische problematiek als - in verband met het CTS - haar arm- en handfunctie - meer beperkt is te achten dan is aan genomen.


4.3. Daarnaast geeft appellante aan dat en waarom de bij de schatting gebruikte functies voor haar niet haalbaar zijn.


5.1. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, overweegt de Raad in de eerste plaats dat van de zijde van het Uwv, mede in reactie op hetgeen daarover namens appellante is aangevoerd, is aangegeven dat in het verzekeringsgeneeskundig rapport van 22 januari 2009, in het arbeidskundig rapport van 30 januari 2009 en ook in het bestreden besluit ten onrechte ervan is uitgegaan dat in het onderhavige geval sprake is van een zogeheten amberbeoordeling, zij het een amberbeoordeling waarbij in verband met de verstrekking van ziekengeld aan appellante gedurende een periode van 104 weken, een eventuele toekenning van uitkering op grond van artikel 43a van de WAO eerst kan ingaan na afloop van die periode van 104 weken.


5.2. Miskend is volgens de gemachtigde van het Uwv dat in het onderhavige geval in verband met de plaatsgevonden hebbende verstrekking van ziekengeld aan appellante, het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onder b, van artikel 43a van de WAO, in de weg staat aan toepassing van dat artikel, zoals reeds aan appellante was meegedeeld bij eerder besluit van 17 november 2008. De beoordeling of in het geval van appellante toekenning van uitkering mogelijk is, had volgens de gemachtigde - en de Raad heeft geen aanleiding daarover in andere zin te oordelen - te geschieden aan de hand van het bepaalde in artikel 16, lid 2, van de WAO in samenhang bezien met artikel 19 van de WAO, in welk laatste artikel, voor zover hier van belang, is bepaald dat de verzekerde die arbeidsongeschikt wordt, recht op uitkering heeft zodra hij onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest en na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.


5.3. De Raad ziet in het onder 5.1 en 5.2 overwogene aanleiding het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 16 en artikel 19 van de WAO. Het bestreden besluit dient aldus te worden begrepen en getoetst dat daarbij is geweigerd appellante WAO-uitkering toe te kennen met ingang van de datum die aansluit op de reguliere wachttijd van 104 weken, te rekenen vanaf 1 april 2007 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Daarbij geldt dat de inhoudelijke verzekeringsgeneeskundige beoordeling alsmede de (primaire) arbeidskundige beoordeling zich ook hebben gericht op eerstbedoelde datum. Van de zijde van appellante wordt dit niet bestreden.


5.4. De aldus te beantwoorden vraag of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten, wordt door de Raad bevestigend beantwoord. De Raad kan zich in navolging van de rechtbank en met overneming van de door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegde overwegingen met de medische grondslag van het bestreden besluit verenigen.


5.5. Appellante heeft in hoger beroep geen op de datum in geding betrekking hebbende nadere medische gegevens van behandelend artsen of andere behandelaars ingebracht - noch ten aanzien van haar klachten van psychische aard noch ten aanzien van haar arm- en handklachten - die aanleiding zouden kunnen geven daarover in andere zin te oordelen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsartsen een voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld, waarbij alle relevante aspecten, daarbij inbegrepen informatie vanuit de behandelend sector, in de beoordeling zijn betrokken.


5.6. Eveneens sluit de Raad zich aan bij wat de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De Raad volgt appellante niet in haar in hoger beroep met nadruk staande gehouden opvatting dat de functie van wikkelaar buiten haar bereik ligt om reden dat, naar zou blijken uit een eind 2010 door appellante afgelegd intelligentieonderzoek waarover op 8 februari 2011 is gerapporteerd door de psycholoog

D. Gee en de psychiater J.Th. Roosenboom, zij zwakbegaafd is en om die reden niet in staat is om de bij de functie van wikkelaar behorende interne opleiding componentenkennis te volgen. Door de bezwaararbeidsdeskundige is bij rapport van 8 oktober 2009 overtuigend uiteengezet dat het hier gaat om een functie op opleidingsniveau 2, waarbij de te volgen interne opleiding aansluit. Van enig examen is geen sprake. Het betreft in feite, zo begrijpt de Raad mede uit het verhandelde ter zitting, een op de praktische werkuitvoering gerichte werkinstructie, die door middel van eenvoudige schriftelijke instructies en mondelinge instructies door ervaren collega’s wordt verzorgd. Mede nog gelet op het feit dat appellante basisonderwijs heeft gevolgd en daarna een 3-jarige leergang LBO heeft afgesloten met een diploma, valt niet in te zien dat appellante tot het volgen van een dergelijke werkinstructie niet in staat zou zijn.


5.7. Ook voor het overige geldt dat door de bezwaararbeidsdeskundige afdoende is toegelicht dat en waarom de drie functies die aan de schatting ten grondslag liggen wat betreft de daaraan verbonden belastende en ook overige aspecten binnen de grenzen blijven van appellantes mogelijkheden. In verband hiermee kan en zal de Raad in het midden laten wat er zij van de door appellante aangevoerde bezwaren tegen de reservefunctie van schoonmaker gebouwen.


6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.518,-.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.518,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2011.


(get.) J.W. Schuttel.


(get.) I.J. Penning.


TM