Centrale Raad van Beroep, 30-09-2011 / 10-1997 WAO


ECLI:NL:CRVB:2011:BT6415

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. Appellante wordt niet beschouwd als een medische afzakker. In de door appellante genoemde omstandigheden is het weliswaar voorstelbaar dat zij ander werk is gaan doen, maar ook in hoger beroep zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt van een objectief medische noodzaak daartoe. Passendheid van de geduide functies voldoende toegelicht. Redelijke termijn niet overschreden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-09-30
Publicatiedatum
2011-10-04
Zaaknummer
10-1997 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/1997 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 februari 2010, 09/911 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 30 september 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M. Vaessen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2011. Appellante is, zoals zij had bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.A. Put.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante is gedurende 10 jaar werkzaam geweest als groepsleidster bij licht verstandelijk gehandicapte volwassenen. Per 1 december 1999 is zij gaan werken als secretariaatsmedewerker. Op 27 maart 2000 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten. Met ingang van 26 maart 2001 is haar een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 10 september 2008 is deze uitkering met ingang van

5 november 2008 ingetrokken.


1.2. Bij besluit op bezwaar van 17 februari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar gegrond verklaard, de uitkering per 5 november 2008 gecontinueerd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 18 april 2009 vastgesteld op 15 tot 25%.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet kan worden gevolgd in haar opvatting dat zij zou moeten worden beschouwd als een zogenaamde medische afzakker, op grond waarvan haar maatvrouwinkomen zou moeten worden gebaseerd op het inkomen dat zij verdiende als groepsleidster in 1999. Appellante heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het gaan werken in een andere functie medisch noodzakelijk was. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar beperkingen op de datum in geding zwaarder waren dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen. De haar voorgehouden functies zijn in overeenstemming met haar belastbaarheid.


3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank niet de juiste feiten in ogenschouw heeft genomen. De reden om te gaan werken in een andere functie was niet één incident met een bewoner maar alle omstandigheden bij elkaar. Zij heeft diverse gesprekken gehad met de huisarts en de bedrijfsarts. Het ging slechter met haar en er is zelfs een opname overwogen. Appellante stelt zich voorts op het standpunt dat de rechtbank het Uwv ten onrechte niet heeft veroordeeld in de proceskosten: pas tijdens de beroepsfase is de passendheid van de functies voldoende gemotiveerd. Ten slotte verzoekt zij vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


4.1. De Raad overweegt als volgt.


4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de zogenoemde medische afzakker bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft gemotiveerd overwogen waarom appellante niet kan worden beschouwd als een medische afzakker. De Raad sluit zich daarbij aan. In de door appellante genoemde omstandigheden is het weliswaar voorstelbaar dat zij ander werk is gaan doen, maar ook in hoger beroep zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt van een objectief medische noodzaak daartoe.


4.3. Wat betreft de stelling dat de rechtbank het Uwv ten onrechte niet heeft veroordeeld in de proceskosten overweegt de Raad dat het in beroep overgelegde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 februari 2010 moet worden beschouwd als een verduidelijking van het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 16 februari 2009. Ook zonder deze verduidelijking is de passendheid van de geduide functies voldoende toegelicht.


4.4. Het verzoek van appellante om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM moet worden afgewezen. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van

26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Aangezien het bezwaar van appellante bij het Uwv is ingekomen op 23 oktober 2008 is die termijn niet overschreden.


4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2011.


(get.) J.W. Schuttel.


(get.) I.J. Penning.


GdJ