Centrale Raad van Beroep, 30-09-2011 / 08-6353 WAO


ECLI:NL:CRVB:2011:BT6544

Inhoudsindicatie
Intrekking WAO-uitkering. Eerst in hoger beroep is een voldoende onderbouwing gegeven van het standpunt dat een medische urenbeperking niet langer noodzakelijk is. Geschiktheid geduide functies. Ook als de functies waarvan appellante meent dat die niet geschikt zijn komen te vervallen, resteren voldoende functies. Overschrijding redelijke termijn. Heropening.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-09-30
Publicatiedatum
2011-10-04
Zaaknummer
08-6353 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/6353 WAO (gerectificeerde uitspraak)


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 oktober 2008, 08/250

(hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).



Datum uitspraak: 30 september 2011



I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. L.T.G. van Engelen, advocaat te Wageningen, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Desverzocht heeft het Uwv bij brief van 28 december 2009 enige inlichtingen verstrekt, waarop appellante bij brief van 19 maart 2010 door inzending van een aantal stukken heeft gereageerd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Engelen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.


De Raad, van oordeel zijnde dat het onderzoek niet volledig is geweest, heeft dit heropend.


Op verzoek van de Raad heeft het Uwv bij brief van 7 april 2011 met als bijlage een rapport van 6 april 2011 van de bezwaarverzekeringsarts M.P.W. Kreté, enige inlichtingen verstrekt.


Appellante heeft bij brief van 19 mei 2011 hierop gereageerd.


Het Uwv heeft bij brief van 8 juli 2011 een commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Kreté ingezonden. Vervolgens heeft appellante een brief gedateerd 17 augustus 2011 toegestuurd.


Het onderzoek ter zitting heeft op 19 augustus 2011 opnieuw plaatsgevonden. Appellante is verschenen als ter zitting van 2 april 2010. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.



II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante heeft op 28 december 1999 haar werkzaamheden van wetenschappelijk medewerker wegens ziekte gestaakt. Na de voor haar geldende wachttijd van 52 weken is aan haar per 26 december 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij is rekening gehouden met een door de verzekeringsarts van het Uwv gestelde beperking tot het verrichten van arbeid tot maximaal tien uur per week.


1.2. Bij herbeoordelingen in 2003 en 2004 van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is deze urenbeperking gehandhaafd.


2.1. In het kader van een herbeoordeling in 2007 is de (mate van) arbeidsongeschiktheid van appellante opnieuw beoordeeld.


2.2. Bij besluit van 15 maart 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 16 mei 2007 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% bedraagt. Daaraan ligt mede ten grondslag de opvatting van de verzekeringsarts J.R. Jansen, als verwoord in zijn rapport van 3 november 2006, dat op grond van de medische feiten en het dagverhaal onvoldoende argumenten aanwezig zijn voor een urenbeperking.


2.3. Bij besluit van 18 december 2007 heeft het Uwv zijn besluit van 15 maart 2007, beslissend op de daartegen gerichte bezwaren, gehandhaafd. De bevindingen van Jansen zijn door bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans in haar rapport van 27 november 2007 onderschreven.


3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het besluit van 18 december 2007 onderschreven.


4. In hoger beroep heeft appellante haar stellingen herhaald, die – samengevat weergegeven – inhouden dat de door de verzekeringsarts Jansen opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) een onjuiste weergave van haar arbeidsbeperkingen behelst per de datum in geding. In het bijzonder heeft appellante bezwaren tegen het laten vervallen van de voor haar al vanaf de toekenning van haar WAO-uitkering geldende medische urenbeperking tot tien uur arbeid per week. De geduide functies zijn onder verwijzing naar hetgeen in eerste aanleg daaromtrent is aangevoerd gemotiveerd bestreden.


5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.2. Ten aanzien van de urenbeperking overweegt de Raad allereerst dat aan het enkele feit dat deze in het verleden is aangenomen, niet kan worden ontleend dat deze bij een nieuwe arbeidsongeschiktheidsbeoordeling onveranderd van toepassing moet worden geacht. Voorts heeft de Raad geoordeeld (zie de uitspraak van 20 februari 2009, LJN BH3766) dat de enkele verwijzing door de verzekeringsartsen naar de situaties zoals beschreven in de standaard “Verminderde Arbeidsduur”, zijnde de standaard richtlijn die het Uwv hanteert om een mogelijke urenbeperking toe te wijzen, onvoldoende motivering oplevert op grond waarvan een langdurig aangenomen urenbeperking (van in dat geval circa tien jaar) kan vervallen. Dit neemt echter niet weg dat ook in situaties van een langdurig aanvaarde urenbeperking zich omstandigheden kunnen voordoen die aanleiding geven om een urenbeperking anders dan voorheen niet meer geïndiceerd te achten. Aan het Uwv is het dan om toegespitst op de omstandigheden van het concrete geval daarvoor een motivering te geven.


5.3.1. Ten tijde van de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling gold voor appellante al vijf jaar een medische urenbeperking tot tien uur per week. Bij de toekenning van de WAO-uitkering van appellante heeft verzekeringsarts B. Roos zich in zijn rapport van 17 januari 2001 op het standpunt gesteld dat appellante in verband met haar energetische problemen op deze urenbeperking is aangewezen. Dat standpunt heeft ertoe geleid dat de arbeidsdeskundige niet voldoende functies heeft kunnen vinden en dat aan appellante per 26 december 2000 een WAO-uitkering is verleend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Die mate van arbeidsongeschiktheid is gehandhaafd bij besluiten van 6 maart 2003 en 12 februari 2004, nadat appellante op 25 februari 2003 respectievelijk 11 februari 2004 op het spreekuur is geweest bij verzekeringsarts Roos die bij zijn onderzoek ten aanzien van de urenbeperking niet tot een andere conclusie is gekomen. Niets wijst erop dat de verzekeringsarts zich bij die herbeoordelingen heeft vergist of door appellante verkeerd is voorgelicht. Verzekeringsarts Roos heeft bij de eerste herbeoordeling genoteerd dat de medische situatie wel geleidelijk verbetert, maar dat de structurele restcapaciteit niet essentieel is veranderd, en bij de tweede herbeoordeling dat de voorzichtige verbetering zich niet verder heeft doorgezet.


5.3.2. Verzekeringsarts Jansen is in zijn rapport van 7 december 2006 tot de conclusie gekomen dat er op grond van de medische feiten en het dagverhaal onvoldoende zware argumenten zijn om een urenbeperking toe te passen. Hij heeft niet in concreto te kennen gegeven of en alsdan in hoeverre (op welke onderdelen) de medische situatie van appellante op 3 november 2006 anders (beter) was dan voorheen door de verzekeringsarts Roos was vastgesteld, dan wel op grond van welke gewijzigde medische inzichten een urenbeperking niet langer noodzakelijk was.


5.3.3. Bezwaarverzekeringsarts Huijsmans heeft blijkens haar rapport van 27 november 2007 zich gebaseerd op de voorhanden zijnde stukken en daarin geen aanleiding gezien voor hernieuwd medisch onderzoek van appellante. Ten aanzien van de urenbeperking heeft de bezwaarverzekeringsarts er enerzijds op gewezen dat appellante blijkbaar wel in staat is naast haar gezinstaken, waaronder het verzorgen van een baby, nog twee keer per week paard te rijden, en anderzijds dat zij om medisch objectiveerbare (anatomische, fysiologische) redenen niet verplicht was een deel van de dag te rusten, een medische behandeling te volgen, dan wel is aangewezen op een urenbeperking uit preventieve noodzaak. Laatstgenoemde overwegingen, zo stelt de Raad vast, zijn rechtstreeks ontleend aan de standaard “Verminderde Arbeidsduur”.


5.4. Gelet op de in 5.2 omschreven motiveringseisen is de Raad van oordeel dat door het Uwv daarmee een onvoldoende toereikende motivering is gegeven waarom ten tijde in geding de sedert 2001 aanvaarde en bij een tweetal herbeoordelingen gehandhaafde (forse) medische urenbeperking in het geheel niet meer noodzakelijk was.


5.5. De Raad heeft na behandeling van het geding ter zitting van 2 april 2010 aanleiding gezien het onderzoek te heropenen met het oog op een definitieve beslechting van het geschil. De Raad heeft het Uwv verzocht een nadere motivering te geven voor het laten vervallen van de medische urenbeperking bij appellante. Aan dit verzoek heeft het Uwv bij brief van 7 april 2011, onder bijvoeging van een rapport van 6 april 2011 van de bezwaarverzekeringsarts Kreté, voldaan. Nadat appellante bij brief van 19 mei 2011 hierop had gereageerd heeft de bezwaarverzekeringsarts zijn standpunt bij rapport van 27 juni 2011 nader toegelicht.


5.6. De Raad komt tot het oordeel dat met de verzekeringsgeneeskundige rapporten van 6 april 2011 en 27 juni 2011 in samenhang met de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapporten door het Uwv thans een voldoende onderbouwing is gegeven van het standpunt dat een medische urenbeperking in het geval van appellante niet (langer) noodzakelijk is. Daarbij laat de Raad enerzijds wegen dat, naar aan deze rapporten valt te ontlenen, in de loop der tijd een verbetering is opgetreden in de daginvulling en het activiteitenpatroon van appellante en anderzijds dat, zoals door de bezwaarverzekeringsarts Kreté is uiteengezet, nieuwe opvattingen in de geneeskunde en de verzekeringsgeneeskunde zijn ontstaan met betrekking tot de vraag of rust overdag een medische noodzaak is dan wel een contrarevaliderend aspect en dat die, afhankelijk van de problematiek, tot een wijziging kunnen leiden van de urenbeperking zoals die in het verleden is vastgesteld. Van de zijde van appellante is niet – medisch – onderbouwd dat van deze nieuwe medische opvattingen geen sprake is, dan wel dat die in haar geval niet tot het laten vervallen van die urenbeperking hadden moeten leiden. Ten slotte neemt de Raad bij zijn oordeel in aanmerking dat de door de verzekeringsarts Roos aanvaarde urenbeperking tot tien uur per week indertijd door hem uitsluitend is gemotiveerd met een verwijzing naar de bij appellante bestaande energetische problematiek zonder dat de noodzaak van deze forse beperking op enigerlei wijze door hem nader is geadstrueerd.


5.7. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de arbeidsongeschiktheidsschatting overweegt de Raad dat appellante in het bijzonder de geschiktheid heeft bestreden van twee door de arbeidsdeskundige aan haar voorgehouden functies, te weten die van telefonist/receptionist (sbc-code 315120, functienummers 8313-0200-006,007) ten aanzien van het aspect tillen en dragen en die van telefonist coördinatiecentrum (sbc-code 515201) ten aanzien van het aspect productiepieken. Nog daargelaten dat bij het vervallen van die functies voldoende functies resteren die de schatting kunnen dragen, is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige J. Kijvekamp bij rapport van 13 december 2007 genoegzaam heeft gemotiveerd dat deze functies, ook wat betreft de door appellante gesignaleerde aspecten, voor haar geschikt zijn. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat de geduide functies niet in overeenstemming zijn met de voor haar geldende FML.


5.8. Gelet op het hiervoor overwogene komt de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, voor bevestiging in aanmerking.


6.1. Appellante heeft ter zitting van 19 augustus 2011 aangevoerd dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), inmiddels is overschreden. Deze vraag moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het EHRM naar voren komt.


6.2. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als het voorliggende verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 26 januari 2009 (LJN BH1009). Daarin heeft de Raad onder meer overwogen dat in een procedure in drie instanties in socialezekerheidszaken het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De onder 6.1 genoemde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.


6.3. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 10 april 2007 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna zes maanden verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv iets meer dan acht maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 15 januari 2008 ruim negen maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf het ontvangst van het hoger beroepschrift op 3 november 2008 tot deze uitspraak twee jaar en elf maanden geduurd. Aan het voorgaande kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden in zowel de bestuurlijke als rechterlijke fase.


6.4. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet worden beslist omtrent appellantes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke en rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.


7. De Raad ziet aanleiding om het Uwv in verband met het hiervoor vastgestelde motiveringsgebrek te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, zijnde aan verleende rechtsbijstand in beroep € 843,90 en in hoger beroep

€ 850,72.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de door appellante in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 843,90;

Veroordeelt het Uwv in de door appellante in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 850,72, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,- vergoedt;

Bepaalt dat het onderzoek onder de nummers 11/5443 BESLU en 11/5444 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van appellante om schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) tevens aan als partij in die procedure.



Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2011.


(get.) T. Hoogenboom.


(get.) M.A. van Amerongen.


CVG