Centrale Raad van Beroep, 01-12-2011 / 10-5334 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2011:BU7211

Inhoudsindicatie
Afwijzing (herhaald) verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-12-01
Publicatiedatum
2011-12-07
Zaaknummer
10-5334 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/5334 WUBO



Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[appellante], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellante),


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)



Datum uitspraak: 1 december 2011



I. PROCESVERLOOP


Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010,182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.


Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 juli 2010, nummer BZ01 WUB 000017, BZ01156268 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te ’s-Gravenhage. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.



II. OVERWEGINGEN


1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante, geboren in juni 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in april 2005 bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenning van de toeslag ter verbetering van haar levensomstandigheden als bedoeld in artikel 19 van de Wubo, een periodieke uitkering alsmede diverse voorzieningen. Die aanvraag heeft appellante gebaseerd op gezondheidsklachten die het gevolg zouden zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië. Zij heeft daarbij gesteld dat zij zich zowel in de oorlogsperiode als na de capitulatie van Japan bevond in het Kloosterkamp te Bogor.


1.2. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 27 juni 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 februari 2006, op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van de Wubo.

Verweerder heeft daarbij overwogen dat het Kloosterkamp slechts gedurende een zeer korte periode, te weten van 14 tot 18 oktober 1945, de status van extremistenkamp heeft gehad en dat niet is komen vast te staan dat appellante in die periode in het Kloosterkamp heeft verbleven. Het tegen het besluit van 28 februari 2006 ingestelde beroep is bij uitspraak van deze Raad van 11 januari 2007 ongegrond verklaard.


1.3. In augustus 2008 heeft appellante een verzoek om herziening van het besluit van 28 februari 2006 ingediend. Dit verzoek is door verweerder afgewezen bij besluit van 16 oktober 2008 op de grond dat de nieuw ingebrachte getuige niets kon verklaren omtrent het exacte tijdstip waarop appellante in het Kloosterkamp was aangekomen.


1.4. In juli 2009 heeft appellante wederom een verzoek om herziening van het besluit van 28 februari 2006 ingediend. Bij dit verzoek heeft appellante, naast verklaringen van reeds in de eerdere procedure opgevoerde getuigen, verklaringen gevoegd van de haar behandelend psychiater F. Meuleman en haar huisarts Gilissen-Choi, die beiden verklaren dat appellante door haar oorlogservaringen ernstig getraumatiseerd is. Tevens heeft appellante een uit het Indonesisch vertaalde verklaring overgelegd van dr. Osman Djajadisastra, inhoudende dat de vader van deze Osman, dr. Achmad Djajadisastra, in het jaar 1945 van 14 tot 18 oktober appellante heeft behandeld in het Kloosterkamp in Bogor, Indonesië.


1.5. Verweerder heeft het verzoek om herziening afgewezen bij besluit van 13 oktober 2009, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat door appellante niet is aangetoond dat het besluit waarvan herziening is verzocht onjuist was en dat er evenmin nieuwe feiten of gegevens zijn overgelegd die een ander licht op de zaak werpen.


2. De Raad overweegt naar aanleiding van wat partijen in beroep naar voren hebben gebracht het volgende.


2.1. Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedaan verzoek een eerder door verweerder gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellante feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.


2.2. De thans in bezwaar overgelegde medische verklaringen van de behandelend huisarts en psychiater spelen bij de beoordeling of er sprake is geweest van een calamiteit zoals bedoeld in artikel 2 van de Wubo geen rol. De medische aspecten van eventuele met de oorlogservaringen in verband staande klachten komen pas aan de orde indien is vastgesteld dat er zich tijdens de oorlog en de daarop volgende periode, de Bersiap, calamiteiten hebben voorgedaan in de zin van de Wubo.


2.3. Met betrekking tot de nieuwe verklaring van [A.D.] onderschrijft de Raad het standpunt van verweerder dat het hier een ‘van horen zeggen’- verklaring betreft omdat [A.D.] niet zelf getuige was van het feit dat appellante in het Kloosterkamp heeft verbleven in de week van 14 tot 18 oktober 1945. Objectieve gegevens die de juistheid van deze verklaring bevestigen, zijn niet overgelegd. Aan deze verklaring kan de Raad dan ook niet het belang toekennen dat appellante eraan toegekend zou willen zien.


2.4. Ook overigens is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden zoals onder 2.1 bedoeld. Voor zover nieuwe getuigenverklaringen zijn overgelegd, maken deze niet aannemelijk dat appellante juist in de hier van belang zijnde periode in het Kloosterkamp heeft verbleven. De getuige [getuige 1] is niet voldoende stellig, nu zij zelf aangeeft dat zij in een andere zaal was ondergebracht en deze niet mocht verlaten. Van de getuige [getuige 2] staat niet vast dat zij zelf in de relevante periode in het Kloosterkamp heeft gezeten.


2.5. Het vorenstaande betekent dat het beroep van appellante ongegrond verklaard dient te worden.


3. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011.



(get.) R. Kooper.



(get.) I. Mos.


HD