Centrale Raad van Beroep, 08-12-2011 / 10-4717 AW


ECLI:NL:CRVB:2011:BU7319

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek vergoeding wettelijke onterecht. De (niet succesvolle) aanvraag om toekenning van een ziekte-uitkering behoefde destijds voor de minister geen aanleiding te zijn om het verlengde wachtgeld spontaan toe te kennen. Aangezien de minister dus niet in verzuim was om het verlengde wachtgeld te betalen, ontbreekt een aanspraak op schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. De minister had wel binnen de termijn van 8 weken op het verzoek behoren te beslissen. Vanwege de door de minister gehanteerde termijn van bijna 14 maanden is het toekenningbesluit in zoverre dus onrechtmatig en heeft appellant in zoverre aanspraak op vergoeding van wettelijke rente.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-12-08
Publicatiedatum
2011-12-09
Zaaknummer
10-4717 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2012/74
  • ABkort 2012/18
Uitspraak

10/4717 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 juli 2010, 09/774 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Minister van Verkeer en Waterstaat, thans de Minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: minister)


Datum uitspraak: 8 december 2011


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De Minister van Verkeer en Waterstaat heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat te Valkenburg aan de Geul. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets en

J.A. van Rooijen, beiden werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties BV.


II. OVERWEGINGEN


1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Verkeer en Waterstaat, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Infrastructuur en Milieu. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Verkeer en Waterstaat.


2. De Raad verwijst voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


2.1. Het verzoek van appellant van 23 augustus 2007 om een financiële compensatie te bieden voor het ontbreken van inkomsten tussen de afloop van het wachtgeld in oktober 2001 en de aanvang van zijn WAO uitkering in oktober 2002 is gehonoreerd bij besluit van 16 oktober 2008. Daarbij is appellant met toepassing van de hardheidsclausule uit het Rijkswachtgeldbesluit 1959 een verlenging van het wachtgeld toegekend over het tijdvak van 26 oktober 2001 tot 1 november 2002. In totaal betrof dit een bedrag van € 27.980,89 bruto, dat de minister in september 2008 (netto) heeft uitbetaald.


2.2. Appellant heeft op 16 oktober 2008 onder meer verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over het tijdvak van de vertraging in de uitbetaling. Bij besluit van 16 december 2008 is dat verzoek afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 15 april 2009 ongegrond verklaard.


2.3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en zijn de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Tevens zijn bepalingen gegeven over proceskosten en griffierecht.


3. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met betrekking tot de geweigerde wettelijke rente in stand zijn gebleven.

De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.


4. Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep overweegt de Raad het volgende.


4.1.1. Aan het verzoek van appellant ligt in de eerste plaats ten grondslag dat uit het besluit van 16 oktober 2008 blijkt dat hij vanaf 26 oktober 2001 recht had op de verlenging van het wachtgeld. Dus is er - aldus appellant - vertraging in de voldoening van een geldsom en heeft hij recht op vergoeding van de wettelijke rente.


4.1.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 25 juli 2002, LJN AF1900 en TAR 2002, 160 stelt de Raad voorop, dat voor een geval als dit naar vaste rechtspraak voor schade, die na 1993 door een ambtenaar is geleden, aansluiting wordt gezocht bij de rechtspraak inzake de veroordeling tot vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij zoekt de Raad zoveel mogelijk aansluiting bij de normen van de burgerlijke rechter. Dit betekent dat de schade in causaal verband moet staan met een als onrechtmatig te kwalificeren besluit of handeling.


4.1.3. Daarvan is hier geen sprake. De Raad ziet met name niet, evenmin als de rechtbank, dat de minister het verlengde wachtgeld al in 2001 ambtshalve had behoren toe te kennen. De (niet succesvolle) aanvraag om toekenning van een ziekte-uitkering vanaf 23 oktober 2001 behoefde destijds voor de minister geen aanleiding te zijn om het verlengde wachtgeld spontaan toe te kennen. Aangezien de minister dus niet vanaf 26 oktober 2001, of een datum kort nadien, in verzuim was om het verlengde wachtgeld te betalen, ontbreekt een aanspraak op schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente vanaf 26 oktober 2001 of kort nadien.


4.2. Appellant heeft in hoger beroep ook gewezen op het te lange tijdvak tussen de aanvraag en de toekenning van het verlengde wachtgeld als grondslag voor de vergoeding van wettelijke rente.


4.2.1. Omdat voor een verzoek als van appellant geen andere beslistermijn geldt dan hetgeen in de Awb daarover is voorgeschreven, had de minister naar het oordeel van de Raad met toepassing van de in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb gegeven termijn van 8 weken op het verzoek behoren te beslissen. Vanwege de door de minister gehanteerde termijn van bijna 14 maanden is het toekenningbesluit van 16 oktober 2008 in zoverre dus onrechtmatig en heeft appellant in zoverre aanspraak op vergoeding van wettelijke rente.


4.2.2. Dit leidt tot het oordeel dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit ten onrechte in stand heeft gelaten voor zover het de vergoeding van wettelijke rente betreft. De uitspraak wordt in zoverre vernietigd.


4.3. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb overweegt de Raad dat het percentage van de wettelijke rente bepaald wordt door artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (CRvB 15 april 2010, LJN BM1609 en TAR 2010, 93) en dat dit ten tijde in geding 6% bedroeg. De berekening dient te geschieden over de bruto-nabetaling van € 27.980,89 en over de periode 1 november 2007 tot aan de dag van de algehele voldoening toe.


5. De Raad acht termen aanwezig om de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan de griffier van de Raad.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit inzake de vergoeding van wettelijke rente in stand zijn gelaten;

Kent appellant de wettelijke rente toe, zoals onder 4.3 van deze uitspraak is vermeld en bepaalt dat deze uitspraak (in zoverre) in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem betaalde griffierecht in hoger beroep van € 111,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en M.C. Bruning en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2011.


(get.) K. Zeilemaker.


(get.) N.M. van Gorkum.


HD