Centrale Raad van Beroep, 09-12-2011 / 09-2166 ZFW


ECLI:NL:CRVB:2011:BU7612

Inhoudsindicatie
Bijdrage verschuldigd voor het recht op zorg als verdragsgerechtigde. Appellant valt onder de werkingssfeer van Vo 1408/71. De omstandigheid dat appellant zijn woonplaats naar Spanje heeft overgebracht vóór de datum van inwerkingtreding van Vo 1408/71 in Spanje, kan hem derhalve niet aan de werkingssfeer van deze verordening onttrekken. De bijdragereling ex artikel 69 Zvw leidt niet tot een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen. Geen reden voor nadere pre-judiciële vragen. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door Cvz.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-12-09
Publicatiedatum
2011-12-14
Zaaknummer
09-2166 ZFW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2011/481
Uitspraak

09/2166 ZFW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats], Spanje (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2009, 07/2272 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College voor zorgverzekeringen (hierna: Cvz)


Datum uitspraak: 9 december 2011


I. PROCESVERLOOP


Ingevolge artikel II, tweede lid, aanhef en onder b, van de - met ingang van

1 augustus 2008 in werking getreden - Wet van 29 mei 2008 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet in verband met de rechtsgang bij inhouding van de bijdrage van verdragsgerechtigden (rechtsgang bronheffing verdragsgerechtigden) (Stb. 278) is Cvz als procespartij in aanhangige gedingen in de plaats getreden van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb). In deze uitspraak wordt onder Cvz voor zover nodig tevens begrepen de Svb.


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.


Cvz heeft een verweerschrift ingediend.


Bij brief van 14 september 2009 heeft de Raad aan appellant laten weten dat de Raad in een aantal soortgelijke zaken prejudiciële vragen heeft gesteld aan – thans – het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof). Nu beantwoording van de vragen door het Hof ook in de zaak van appellant noodzakelijk was alvorens uitspraak kon worden gedaan, zou de Raad het antwoord van het Hof afwachten. Appellant heeft daarop verzocht om met het oog op de bijzondere aspecten van zijn zaak aanvullende vragen te stellen aan het Hof. Bij brieven gedateerd 20 oktober 2009 en 18 december 2009 heeft de griffier van de Raad aan appellant laten dat de Raad daartoe geen aanleiding zag.


Bij arrest van 14 oktober 2010 (zaak C-345/09) heeft het Hof de gestelde prejudiciële vragen beantwoord.


Bij brief van 15 november 2010 heeft appellant zich beklaagd over de duur van de procedure.


Bij brief gedateerd 14 februari 2011 heeft appellant de gronden waarop zijn beroep rust, nader uiteengezet.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. F.H. van der Burg. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Van Dijen, mr. M. Mulder en mr. R.G. van der Wissel.


Bij brieven gedateerd 16 juni 2011 heeft de Raad aan partijen bericht dat is besloten het onderzoek te heropenen.


Bij brief gedateerd 4 juli 2011 heeft appellant gereageerd op het hem toegestuurde proces-verbaal van de zitting van 11 maart 2011.


Het onderzoek ter nadere zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2011. Voor appellant is verschenen zijn gemachtigde mr. Van der Burg. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Dijen.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant is geboren [in] 1931. In 1958 heeft hij zich in Groot-Brittannië gevestigd. In 1964 verhuisde appellant naar Spanje, waar hij sedertdien woont. Vanaf 1970 heeft hij aldaar werkzaamheden verricht voor een Nederlandse werkgever. Hij ontvangt vanaf 1 maart 1996 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW). Daarnaast ontvangt appellant een pensioen ten laste van de Stichting Telegraaf Pensioenfonds 1959. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant geen betaalde werkzaamheden (meer) verricht en dat hij geen ander wettelijk (buitenlands) pensioen geniet. Tot 1 januari 2006 was appellant voor ziektekosten verzekerd bij de Spaanse verzekeringsmaatschappij Aresa Seguros Generales. Deze verzekering is vanaf deze datum voortgezet. Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking

getreden - Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) is appellant bij besluit gedateerd december 2005 door Cvz op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: Vo 1408/71) recht op zorg in het woonland (Spanje), ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw een bijdrage verschuldigd, die door Cvz is ingehouden op het bijdrage-inkomen van appellant. Hierbij is een zogeheten woonlandfactor toegepast (vgl. de uitspraak van de Raad van 26 augustus 2009, LJN BJ6362). Appellant heeft een E 121-formulier ontvangen om zich te laten inschrijven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. Een zodanige inschrijving heeft volgens appellant niet plaatsgevonden. Appellant stelt dat hij er als gevolg van de inhouding van de bijdrage in inkomen op achteruit is gegaan.


1.2. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van december 2005 is bij besluit van 19 april 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


1.3. Voor de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar het verzoek van 26 augustus 2009 en het arrest van het Hof van 14 oktober 2010.


Voorts is van belang artikel 39 van het EG-Verdrag, thans artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dat - voor zover hier van

belang - bepaalt:

“1. Het verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij.

2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

3. Het houdt behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht in om:

(…)

d) op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die zullen worden opgenomen in door de Commissie vast te stellen uitvoeringsverordeningen.”


De in artikel 45, derde lid, onder d, VWEU, bedoelde verordening is Verordening (EEG) nr. 1251/70 (hierna: Vo 1251/70) van de Commissie van 29 juni 1970. Artikel 7 van deze verordening bepaalt:

“Het recht op gelijke behandeling, erkend in Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad, wordt gehandhaafd ten behoeve van degenen op wie deze verordening van toepassing is.”


Vo 1251/70 van de Commissie is per 30 april 2006 ingetrokken bij Verordening 635/2006 op de grond dat bij artikel 17 van Richtlijn 2004/38 de belangrijkste bepalingen van Vo 1251/70 zijn overgenomen.


Artikel 16, eerste lid, van Richtlijn 2004/38 bepaalt:

“1. Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, heeft aldaar een duurzaam verblijfsrecht. Dit recht is niet onderworpen aan de voorwaarden van hoofdstuk III.”


Artikel 24, eerste lid, van Richtlijn 2004/38 bepaalt:

“1. Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland.”


2.1. Tussen partijen is in geschil of Cvz vanaf 1 januari 2006 ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 33 van Vo 1408/71 een bijdrage heeft mogen inhouden op het bijdrage-inkomen van appellant, op de grond dat hij ingevolge de artikelen 28 of 28bis van Vo 1408/71 recht heeft op verlening van verstrekkingen bij ziekte in zijn woonland ten laste van Nederland, ook al zou hij niet ingeschreven zijn ingevolge artikel 29 van Verordening (EEG) nr. 574/72 (hierna: Vo 574/72) bij het bevoegde orgaan van zijn woonland.


2.2. Appellant heeft primair betwist dat hij valt onder de werkingssfeer van Vo 1408/71. Appellant is in 1964 verhuisd naar Spanje, derhalve voordat Vo 1408/71 voor de toenmalige EEG in werking trad. In Spanje is Vo 1408/71 bovendien eerst later in werking getreden namelijk op 1 januari 1986, toen Spanje toetrad tot de gemeenschap. Appellant betoogt dat nu Vo 1408/71 voor hem niet in werking is getreden, artikel 33 van die verordening, en in het verlengde daarvan artikel 69 van de Zvw, niet op hem kunnen worden toegepast. Subsidiair heeft appellant betoogd dat artikel 69 van de Zvw inbreuk maakt op het recht op gelijke behandeling dat appellant ontleent aan artikel 45 van het VWEU. Spaanse gepensioneerden zijn niet verplicht gebruik te maken van de voorzieningen van het Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS). Zij betalen daar ook geen bijdrage voor. Zij hebben het recht om hun privaatrechtelijke ziektekostenverzekering voort te zetten. Nederland heft daarentegen een bijdrage van appellant op de grond dat hij, als verdragsgerechtigde, aanspraak kan maken op de voorzieningen van het INSS. Daarmee wordt appellant door de Nederlandse overheid achtergesteld bij Spaanse gepensioneerden en dat is in strijd met artikel 45 van het VWEU. In dit kader heeft appellant nog betoogd dat artikel 69 Zvw te ruim is geformuleerd. Zo valt bijvoorbeeld ook een Belg die met een Nederlands pensioen terugkeert naar België, onder deze bepaling. De Raad wordt in overweging gegeven de aangevallen uitspraak op bovengenoemde gronden te vernietigen. Voor zover de Raad zo ver niet zou willen gaan, wordt in overweging gegeven pre-judiciële vragen te stellen.


2.3. Voorts heeft appellant een beroep gedaan op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aangezien de redelijke termijn als bedoeld in deze bepaling is overschreden.


3.1. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat hij niet valt onder de werkingssfeer van Vo 1408/71. In dat verband wijst de Raad erop dat in artikel 94, tweede lid, van Vo 1408/71 is bepaald dat voor de vaststelling van de aan Vo 1408/71 te ontlenen rechten rekening wordt gehouden met elk tijdstip van verzekering, alsmede eventueel met elk tijdvak van arbeid of wonen, dat krachtens de wetgeving van een Lid-Staat vóór 1 oktober 1972 of vóór de datum van haar toepassing op het grondgebied van deze Lid-Staat is vervuld. Volgens het derde lid van deze bepaling ontstaat een recht zelfs dan, wanneer dit recht in verband staat met een gebeurtenis die vóór 1 oktober 1972 of vóór de datum van haar toepassing op het grondgebied van deze Lid-Staat (…) heeft plaatsgevonden. De omstandigheid dat appellant zijn woonplaats naar Spanje heeft overgebracht vóór de datum van inwerkingtreding van Vo 1408/71 in Spanje, kan hem derhalve niet aan de werkingssfeer van deze verordening onttrekken. De Raad wijst in dit verband op het arrest van het Hof van 10 mei 2001, C-389/99, in de zaak Rundgren.


3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in Spanje een duurzaam verblijfsrecht geniet als neergelegd in artikel 45, derde lid, onder d, van het VWEU en artikel 16 van Richtlijn 2004/38. Daaruit volgt dat appellant recht heeft op dezelfde behandeling als de onderdanen van het woonland (in dit geval Spanje). Uit de rechtspraak van het Hof (zie onder meer het arrest van 26 januari 1999, zaak C-18/95, Terhoeve) kan worden afgeleid dat het recht op gelijke behandeling ook kan worden ingeroepen tegen de lidstaat waarvan betrokkene onderdaan is (in dit geval Nederland) wanneer hij in een andere lidstaat heeft gewoond en arbeid in loondienst heeft verricht. Primaire vraag is dan of de bijdragereling ex artikel 69 Zvw leidt tot een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen. In dat verband is van belang dat de toepasselijkheid van de regeling neergelegd in de artikelen 27 en volgende van Vo 1408/71 enkel afhankelijk is gesteld van het antwoord op de vraag of, voor zover hier van belang, de pensioengerechtigde gemeenschapsonderdaan in één of meer lidstaten een wettelijk geregeld pensioen heeft. De rechthebbende op een pensioen verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van één lidstaat heeft, ook al woont hij in een andere lidstaat, recht op verstrekkingen in het woonland ten laste van het pensioenland (artikelen 28 en 28bis Vo 1408/71). Daar staat tegenover dat het pensioenland van de pensioengerechtigde een bijdrage mag heffen. Dit alles ongeacht de nationaliteit van betrokkene. De stelling van appellant dat artikel

69 Zvw te ruim is geformuleerd, vindt dan ook geen steun in de hier aan de orde zijnde bepalingen van Vo 1408/71. De Raad concludeert dat appellant niet anders wordt behandeld dan een gepensioneerde Spaanse onderdaan die woont in Spanje en die enkel een wettelijk pensioen uit Nederland geniet.

Appellant kan worden toegegeven dat het mogelijk is dat door de bijdrageregeling ex artikel 69 Zvw hij meer zorgkosten heeft te dragen dan een gepensioneerde Spaanse onderdaan die niet enkel uit Nederland een wettelijk pensioen heeft. Dit mogelijke onderscheid vloeit evenwel, voor zover hier van belang, voort uit de regeling neergelegd in de artikelen 27 en volgende van Vo 1408/71. In dat kader wijst de Raad erop dat het in artikel 24 van Richtlijn 2004/38 neergelegde discriminatieverbod geldt ‘onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, (…).” In het arrest van 14 oktober 2010 heeft het Hof geoordeeld dat van de in Vo 14081/71 neergelegde regeling aangaande de verstrekkingen bij ziekte niet kan worden afgeweken, ook niet als het gaat om werknemers (zie overweging 53). Met betrekking tot de bijdrageregeling wijst de raad op de overwegingen 75 en 76 van het arrest van 14 oktober 2010. Appellant heeft door zijn AOW-pensioen aanspraak op zorg ten laste van het Nederlandse socialezekerheidsstelsel. Volgens het Hof moet de solidariteit van een dergelijk stelsel, om niet van de essentie van zijn inhoud te worden beroofd, dwingend worden gewaarborgd door alle eronder vallende sociaal verzekerden, onafhankelijk van het individuele gedrag, waartoe elk van hen op basis van persoonlijke parameters kan besluiten. In de overwegingen 105 en 106 van het arrest heeft het Hof expliciet geoordeeld dat de hier aan de orde zijnde regeling in Vo 1408/71 niet kan worden beschouwd als een onder artikel 21, eerste lid, VWEU, vallende beperking van het vrij verkeer van Unieburgers. Naar het oordeel van de Raad wijst niets in de redenering van het Hof erop dat hij met betrekking tot het vrij verkeer van werknemers tot een ander oordeel zou zijn gekomen: de problematiek is dezelfde. De Raad wijst in dat verband nog op overweging 66 van de conclusie van advocaat generaal N. Jääskinen.


3.3. De Raad acht de door appellant naar voren gebrachte gemeenschapsrechtelijke gronden ‘éclairé’ respectievelijk ‘clair’. Hij ziet dan ook geen grond voor het stellen van pre-judiciële vragen.


4. De conclusie is dat het besluit van Cvz om appellant op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw aan te merken als verdragsgerechtigde en om op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw een bijdrage in te houden op het bijdrage-inkomen van appellant, in rechte standhoudt, zodat de aangevallen uitspraak, waarin de rechtbank tot hetzelfde oordeel is gekomen, moet worden bevestigd.


5.1. Met betrekking tot de in 2.3 bedoelde beroepsgrond overweegt de Raad het volgende. Appellant heeft gewezen op de lange duur van de procedure. Hij heeft in dat kader een beroep gedaan op artikel 6 van het EVRM en heeft de Raad verzocht om hem een schadevergoeding toe te kennen.


5.2. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.


5.3. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties, in zaken zoals deze, in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 5.2 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.


5.4. De procedure is aangevangen met het bezwaar tegen het besluit van december 2005, waarbij aan appellant werd medegedeeld dat, omdat hij recht had op medische zorg in Spanje, hij op grond van artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd was. Vanaf de ontvangst door Cvz van het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift van appellant gedateerd 6 januari 2006 tot de datum van deze uitspraak is vijf jaar en ruim elf maanden verstreken. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 23 april 2009 (LJN BI3086) laat de Raad de periode gedurende welke de behandeling van de gedingen heeft stilgelegen in afwachting van de beantwoording door het Hof van de bij het verzoek van 26 augustus 2009 gestelde prejudiciële vragen, buiten beschouwing. Dit betreft een periode van een jaar en bijna twee maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn voor de procedure als geheel is overschreden met ruim negen maanden.


5.5. De behandeling door de rechter heeft geduurd vanaf de ontvangst op 4 juni 2007 van het beroep van appellant tot deze uitspraak. Dit is vier jaar en ruim zes maanden. Na aftrek van de procedure bij het Hof resteert drie jaar en ruim vier maanden. Dit is minder dan drie en een half jaar, zodat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn door de rechter.


5.6. De behandeling door Cvz van het bezwaar van appellant heeft vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de beslissing op bezwaar van 19 april 2007 een jaar en ruim drie maanden geduurd. In aanmerking nemend dat Cvz vanaf eind 2005 werd geconfronteerd met grote aantallen bezwaren van gepensioneerden die als verdragsgerechtigde werden aangemerkt en op wier AOW-pensioen een bijdrage werd ingehouden, en gelet op de complexiteit van de materie, acht de Raad een langere behandelingsduur dan een half jaar gerechtvaardigd. Hij neemt daarbij nog in aanmerking dat enige tijd was gemoeid met het plannen van een hoorzitting. Dit neemt echter niet weg dat een behandelingsduur van meer dan een jaar niet gerechtvaardigd kan worden geacht. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden vernietigd onder gegrondverklaring van het beroep en onder vernietiging van het besluit van 16 juni 2011 wegens strijd met artikel 6 EVRM. De Raad zal de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten. De Raad acht voorts een schadevergoeding van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn door Cvz gepast.


6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 april 2007;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt Cvz tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500,- aan appellant;

Veroordeelt Cvz tot vergoeding van het door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 149,-.


Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2011.


(get.) M.M. van der Kade.


(get.) K.E. Haan.


GdJ