Centrale Raad van Beroep, 08-12-2011 / 10-5864 AW


ECLI:NL:CRVB:2011:BU8508

Inhoudsindicatie
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke strafontslag. Het samenstel van de appellant verweten gedragingen levert ernstig plichtsverzuim op. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht over het niet voldoen aan de vereisten van een goed werkgeverschap door de dienst maakt, wat daarvan overigens ook zij, niet dat van ernstig plichtsverzuim aan de zijde van appellant geen sprake zou zijn. De door appellant ingebrachte medische verklaringen bieden geen grond voor het oordeel dat het handelen van appellant hem niet valt toe te rekenen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-12-08
Publicatiedatum
2011-12-19
Zaaknummer
10-5864 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/5864 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2010, 09/1090, (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)


Datum uitspraak: 8 december 2011



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. T.G.M. Gersjes, advocaat te Eindhoven. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.D. de Vos, advocaat te Amsterdam.



II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant was werkzaam als brug- en sluiswachter bij de dienst Binnenwaterbeheer van de Gemeente Amsterdam. Bij besluit van 4 april 2006 is aan appellant, vanwege onheuse bejegening en bedreiging van een leidinggevende, de straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd. Daarbij is bepaald dat het ontslag pas ten uitvoer zal worden gelegd als appellant zich binnen twee jaar opnieuw schuldig maakt aan (soortgelijk of ander ernstig) plichtsverzuim. Appellant heeft een tegen dit besluit gericht bezwaarschrift ingetrokken na de totstandkoming van afspraken over een te volgen functioneringstraject.


1.2. Op 23 november 2007 heeft het college, na appellant in kennis gesteld te hebben van het voornemen daartoe en hem in de gelegenheid te hebben gesteld daarop zijn zienswijze te geven, besloten tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafontslag. Aan dit besluit zijn tien gedragingen ten grondslag gelegd, die naar het oordeel van het college de kwalificatie van ernstig plichtsverzuim dan wel van plichtsverzuim en in hun onderlinge samenhang de kwalificatie van ernstig plichtsverzuim opleveren. Samengevat betreft het de volgende gedragingen:

- het zonder voorafgaande toestemming van de werkgever verrichten van nevenwerkzaamheden voor de gemeente Maasgouw, en het daarover leugenachtig verklaren;

- het, zonder voorafgaand overleg met de bedrijfsarts, in privé-tijd afleggen van langere afstanden op de motor gedurende een periode waarin een zogeheten fietsmutatie van kracht was, dat wil zeggen dat appellant, vanwege klachten aan het zitvlak, niet mocht fietsen ter uitvoering van zijn werkzaamheden;

- het op 25 augustus 2007, hoewel op dat moment nog een fietsmutatie voor langere afstanden gold, deels fietsend en deels lopend afleggen van de afstand tussen de Akersluis en de Cramersluis, hetgeen meer dan twee uur in beslag heeft genomen gedurende welke de Cramersluis niet is bediend, als gevolg waarvan ernstige hinder voor het scheepvaartverkeer is ontstaan;

- het onheus bejegenen van de bedrijfsarts tijdens een bezoek op 28 augustus 2007;

- het voor een tweede maal en langs andere weg aanvragen van overwerkcompensatie voor het ophalen van een dienstauto nadat een aanvraag om een dergelijke compensatie door de leidinggevende van appellant was afgewezen;

- het, mede als gevolg van het lopend afleggen van de afstand tussen twee bruggen, veroorzaken van vertragingen voor het scheepvaartverkeer op 4 september 2007;

- het midden in de nacht door middel van sms ziekmelden bij de bedrijfsarts in de nacht van 6 op 7 september 2007;

- het niet eerder dan op het tijdstip van aanvang afzeggen van een afspraak op

10 september 2007 met de bedrijfsarts, het vervolgens pas na een kwartier bij de

P&O-adviseur afzeggen van een aansluitende afspraak met de leidinggevende, en het pas na lang aandringen van de P&O-adviseur tevens afzeggen van deze afspraak bij de leidinggevende zelf;

- het in strijd met gemaakte afspraken anders dan tijdens verlof afreizen naar Duitsland in augustus 2007 en in september 2007, als gevolg waarvan de geneeskundige beoordeling door de bedrijfsarts is bemoeilijkt, en afspraken met de leidinggevende op

7 september 2007 en 10 september 2010 geen doorgang hebben gevonden;

- het een uur te laat en pas na daartoe telefonisch te zijn opgeroepen gevolg geven aan een dienstopdracht om te verschijnen op een gesprek met de leidinggevende op 17 september 2007.

Subsidiair is appellant in het besluit van 23 november 2007 ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie, anders dan uit hoofde van ziekte of gebreken.


1.3. Appellant heeft tegen het besluit van 23 november 2007 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 juni 2008 heeft het College de subsidiaire ontslaggrond gewijzigd in de grond, bedoeld in artikel 1122, lid 1, aanhef en onder d, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA). Laatstgenoemd besluit is in de bezwaarprocedure betrokken. Bij besluit van 4 februari 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, de bezwaren van appellant tegen het besluit van 23 november 2007, zoals gewijzigd bij het besluit van 25 juni 2008, ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag in rechte stand houdt, zodat niet wordt toegekomen aan de subsidiaire ontslaggrond. Verder heeft de rechtbank de beroepsgronden van appellant beoordeeld die betrekking hebben op - kort gezegd - de dienstopdracht van 7 september 2007.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd - dat zich aan de hand van appellant beperkt tot het ontslagbesluit - overweegt de Raad als volgt.


3.1. De Raad stelt eerst vast dat het besluit tot voorwaardelijk strafontslag van 4 april 2006, nu dit onaantastbaar is geworden, als een vaststaand gegeven moet worden beschouwd. In dit geding dient dus de vraag te worden beantwoord of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit van het college tot tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk ontslag in rechte stand kan houden.


3.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 13 april 2006, LJN AW4578 en TAR 2006, 132) dient bij de toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafontslag beoordeeld te worden of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt, waarbij er naast die beoordeling geen plaats meer is voor een onevenredigheidstoetsing. Beoordeeld dient dus te worden of de gestelde voorwaarde voor de tenuitvoerlegging is vervuld, en zo ja, of de voor die tenuitvoerlegging in aanmerking te nemen belangen zijn afgewogen en of in redelijkheid tot die tenuitvoerlegging kon worden gekomen. Naar aanleiding van hetgeen appellant in dit verband heeft gesteld overweegt de Raad dat laatstbedoelde beoordeling niet valt te vereenzelvigen met de genoemde onevenredigheidstoetsing zoals de Raad die ten aanzien van disciplinaire sancties pleegt uit te voeren. Die toetsing, die hier dus niet aan de orde is, betreft specifiek de verhouding tussen de zwaarte van de sanctie en de ernst van het plichtsverzuim waarop die sanctie is gebaseerd.


3.3. Appellant heeft de feitelijke weergave van de hem verweten gedragingen zoals opgenomen in het besluit van 23 november 2007, grotendeels bevestigd dan wel onweersproken gelaten. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in elk geval het samenstel van bedoelde gedragingen ernstig plichtsverzuim oplevert. De Raad noemt in dit verband met name het zonder toestemming verrichten van nevenwerkzaamheden voor de gemeente Maasgouw (voorheen Thorn), de gebeurtenissen op 25 augustus 2007 en het onheus bejegenen van de bedrijfsarts. Wat betreft het eerste aspect overweegt de Raad dat artikel 818 van het ARA, in samenhang met artikel 805 van het ARA zoals luidende ten tijde van belang, voorschrijft dat voor nevenwerkzaamheden waardoor de juiste vervulling van de betrekking in het geding kan komen dan wel waardoor de belangen van de gemeente kunnen worden geschaad, vooraf toestemming wordt gevraagd. Naar het oordeel van de Raad was in dit geval, alleen al gelet op de afstand van de gemeente Maasgouw tot de woonplaats van appellant alsmede tot zijn de reguliere standplaats, evident sprake van nevenwerkzaamheden als bedoeld in deze bepaling. Voorafgaande toestemming was dus voorgeschreven. Vast staat dat een schriftelijk verzoek om deze toestemming nooit is ingediend. Appellant heeft er jarenlang over zijn nevenwerkzaamheden gezwegen. De Raad acht het bepaald onaannemelijk dat de vereiste voorafgaande toestemming, zoals door appellant is gesteld, indertijd mondeling zou zijn verleend, zonder invulling van details of het stellen van enige voorwaarde. Wat betreft de gang van zaken op 25 augustus 2007 overweegt de Raad dat uit de gedingstukken genoegzaam is gebleken dat de afspraak gold tot het, voor de afstanden waarvoor een fietsmutatie van kracht was, gebruiken van een dienstauto. Het college heeft toegelicht dat appellant daarnaast gebruik mocht maken van eigen vervoer, zij het dat de kosten daarvan niet konden worden gedeclareerd. De stelling van appellant dat hij niet wist dat er op de bewuste datum nog een fietsmutatie gold, wordt ontkracht door de gedingstukken. De op genoemde datum ontstane hinder voor de scheepvaart valt appellant dus aan te rekenen. Noch het feit dat appellant de dienstauto in eigen tijd diende op te halen, noch het gegeven dat de kosten van eventueel gebruik van eigen vervoer niet werden vergoed, kan daaraan afdoen. Onder verwijzing naar artikel 1004 van het ARA overweegt de Raad ten slotte dat de aan appellant verweten en door hem erkende onheuse bejegening van de bedrijfsarts op 28 augustus 2007, soortgelijk plichtsverzuim inhoudt als het plichtsverzuim dat ten grondslag is gelegd aan het voorwaardelijk strafontslag. Nu de hier genoemde gedragingen de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag reeds kunnen dragen, zal de Raad de overige aan appellant verweten gedragingen onbesproken laten.


3.4. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht over het niet voldoen aan de vereisten van een goed werkgeverschap door de dienst maakt, wat daarvan overigens ook zij, niet dat van ernstig plichtsverzuim aan de zijde van appellant geen sprake zou zijn. De beoordeling of sprake is van plichtsverzuim aan de zijde van een ambtenaar ziet op de handelwijze van die ambtenaar, en niet, ook niet mede, op de wijze waarop de werkgever zich heeft gedragen. Hij onderschrijft hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 2.7 van de aangevallen uitspraak op dit punt heeft overwogen.


3.5. Appellant heeft nog een aantal medische verklaringen overgelegd als bewijs van zijn stelling dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. De Raad stelt voorop dat deze verklaringen geen betrekking hebben op de periode waarin het plichtsverzuim is gepleegd. Voor zover in de verklaringen het vermoeden is geuit dat de daarin genoemde psychische stoornissen zich ook in de periode van belang al hadden geopenbaard, overweegt de Raad dat daarmee niet is gezegd dat appellant ten tijde van belang geen besef had van de onjuistheid van zijn handelen of niet in staat was om zijn wil te bepalen. Van dit een en ander blijkt uit de verklaringen in het geheel niet. De Raad ziet in die verklaringen dan ook geen grond voor het oordeel dat het handelen van appellant hem niet valt toe te rekenen.


3.6. Het voorgaande brengt de Raad tot de slotsom dat het college bevoegd was om tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag over te gaan. De door appellant aangedragen beroepsgronden geven geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Nu de Raad, evenals de rechtbank, tot het oordeel komt dat de tenuitvoerlegging in rechte standhoudt, komt ook de Raad niet toe aan beoordeling van de subsidiaire ontslaggrond.


4. De aangevallen uitspraak moet, voor zover aangevochten, worden bevestigd.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2011.


(get.) J.G. Treffers.


(get.) R. Scheffer.


HD