Centrale Raad van Beroep, 22-12-2011 / 10/6171 WUV + 10/6172 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2011:BU9905

Inhoudsindicatie
Voor zover de aanvraag van appellant berust op de Wubo, heeft verweerder daarop ten onrechte niet volledig beslist. Zowel in het primaire besluit van 21 oktober 2009 als in het bestreden besluit 2 heeft verweerder volstaan met de vaststelling dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld, zonder de vervolgvragen te beantwoorden of appellant ten gevolge van dit geweld blijvend invalide is geworden, zodat hij aanspraak heeft op erkenning als burger-oorlogsslachtoffer, en of hij in aanmerking komt voor financiële toekenningen uit dien hoofde. Voor zover de aanvraag van appellant berust op de Wuv is de Raad van oordeel dat onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd waarom appellant niet in de vereiste drie rubrieken zodanig is beperkt dat moet worden gesproken van verminderd functioneren in de zin van de Wuv. Beroepen gegrond. Nieuwe besluiten op bezwaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-12-22
Publicatiedatum
2012-01-04
Zaaknummer
10/6171 WUV + 10/6172 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/6171 WUV

10/6172 WUBO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


in de gedingen tussen:


[Appellant], wonende te [woonplaats], Verenigde Staten (hierna: appellant),


en


1. de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad,

2. de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad,

thans: de Pensioen en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)


Datum uitspraak: 22 december 2011


I. PROCESVERLOOP


Deze gedingen, die aanvankelijk zijn gevoerd door de Raadskamer WUV onderscheidenlijk de Raadskamer van de WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), zijn in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUV onderscheidenlijk Raadskamer WUBO van de PUR.


Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 juni 2010, kenmerk BZ01173943 (hierna: bestreden besluit 1). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).


Appellant heeft tevens beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 augustus 2010, kenmerk BZ01158200 (hierna: bestreden besluit 2). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).


Verweerder heeft verweerschriften ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2011. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant is in 1931 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In december 2008 heeft hij een aanvraag ingediend om te worden erkend als vervolgde en burger-oorlogsslachtoffer en om als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor toekenningen op grond van de Wuv of de Wubo.


1.2. Bij besluit van 21 oktober 2009, na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 1, heeft verweerder appellant erkend als vervolgde vanwege zijn internering in kamp De Wijk te Malang tijdens de Japanse bezetting. Daarbij is aanvaard dat zijn psychische klachten in verband staan met de vervolging. Voor de rug en nekklachten is dit verband niet aanvaard. Aan appellant is met ingang van 1 december 2008 een tegemoetkoming toegekend in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer. De aanvraag is afgewezen wat betreft de toekenning van voor zover thans nog van belang een periodieke uitkering.


1.3. Bij besluit van eveneens 21 oktober 2009, na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 2, heeft verweerder erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld, te weten de internering in kamp De Wijk tijdens de Japanse bezetting, alsmede het getuige zijn van doodslag en zware mishandeling te Soerabaja, internering in het Rathkamp en directe betrokkenheid bij beschietingen tijdens de vlucht naar het Darmokamp te Soerabaja gedurende de Bersiap-periode. Directe betrokkenheid bij beschietingen tijdens het transport van het Darmokamp naar de haven van Soerabaja is volgens verweerder niet komen vast te staan.


2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.


2.1. In artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wuv wordt omschreven wat onder vervolging wordt verstaan. Daartoe behoort iedere handeling of maatregel welke tijdens de oorlogsjaren 1940 1945 door of namens de Japanse bezetter werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homosexualiteit, dan wel op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, en welke heeft geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, of tot onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.


2.2. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940 1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de Bersiap-periode) als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode; of

- ten gevolge van confrontratie op jeugdige leeftijd met doodslag, executie of zware mishandeling van derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

ten gevolge van welk letsel hij blijvend invalide is geworden.


2.3. Voor zover de aanvraag van appellant berust op de Wubo, heeft verweerder daarop ten onrechte niet volledig beslist. Zowel in het primaire besluit van 21 oktober 2009 als in het bestreden besluit 2 heeft verweerder volstaan met de vaststelling dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld, zonder de vervolgvragen te beantwoorden of appellant ten gevolge van dit geweld blijvend invalide is geworden, zodat hij aanspraak heeft op erkenning als burger-oorlogsslachtoffer, en of hij in aanmerking komt voor financiële toekenningen uit dien hoofde.

Reeds hierom is het beroep in de Wubo-zaak gegrond.


2.4. Appellant heeft aangevoerd dat hij weliswaar na enkele maanden het interneringskamp De Wijk heeft mogen verlaten, maar dat daaraan de voorwaarde was verbonden dat hij zich dagelijks voor tewerkstelling moest melden bij een Japanse opzichter. Op die basis heeft hij zijn werkzaamheden in de proeftuin in Tuindorp moeten voortzetten. Hij kreeg daarbij regelmatig klappen. In één geval is hij door een Japanse bewaker zo hard in de nek geslagen dat hij daarna zijn hoofd niet meer overeind kon houden. Aan deze mishandeling heeft hij chronische nek en rugklachten overgehouden.


2.5. De Raad overweegt dat de voortgezette tewerkstelling in de proeftuin niet als vervolging in de zin van de Wuv of als calamiteit in de zin van de Wubo kan worden aanvaard. Uit het eigen relaas van appellant komt immers naar voren dat die gedwongen tewerkstelling niet langer plaatsvond in het kader van de internering en evenmin met andere vrijheidsberoving gepaard ging. Van de mishandeling door een Japanse bewaker, gedurende de tewerkstelling, is niet de vereiste bevestiging verkregen. Appellant heeft er aanvankelijk zelf niet over gesproken en ook in de beschikbare verklaringen van familieleden wordt de mishandeling niet genoemd. Voor zover appellant zijn lichamelijke klachten aan de mishandeling toeschrijft, staan deze klachten dan ook niet in verband met de erkende vervolging of met het aanvaarde oorlogsgeweld. Ook overigens is van causale lichamelijke klachten niet gebleken. Dat de huidige artritis leeftijdgebonden en/of degeneratief van aard is, is tussen partijen niet in geschil.


2.6. Appellant blijft er verder bij dat het convooi vrachtauto's, waarmee hij vanuit het Darmokamp naar de haven van Soerabaja is geëvacueerd, door Indonesische extremisten onder vuur is genomen. Hij heeft wel degelijk hun bloeddorstige gezichten gezien en geweerschoten gehoord.


2.7. De Raad overweegt hieromtrent dat uit het relaas van appellant duidelijk naar voren komt dat de vrachtwagen waarin hij zich bevond niet is geraakt en dat daarin geen doden of gewonden zijn gevallen. Gelet hierop kan, ook al zouden de beschietingen alsnog worden bevestigd, van de vereiste directe betrokkenheid daarbij niet worden gesproken. Van het opsporen van de door appellant in beroep genoemde getuigen heeft verweerder dan ook op goede gronden afgezien.


2.8. Om voor een periodieke uitkering ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wuv in aanmerking te komen, is vereist dat de vervolgde buiten staat is door arbeid een inkomen te verwerven dat gelijk is aan de voor de uitkering geldende grondslag. Dit moet een gevolg zijn van ziekten of gebreken, welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd. Bij personen die niet zijn aangewezen op inkomsten uit arbeid in beroep of bedrijf, geldt als beleid dat sprake moet zijn van een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten. Daaraan is volgens verweerder voldaan indien de betrokkene voor zover hier van belang geringe tot matige beperkingen heeft in minstens drie van de vier rubrieken die de American Medical Association (AMA) kent, te weten (1) dagelijkse activiteiten, (2) sociaal functioneren, (3) concentratie, doorzettingsvermogen en tempo en (4) aanpassing aan stressvolle omstandigheden. De Raad heeft in vaste rechtspraak deze door verweerder gehanteerde maatstaf aanvaard.

Voor het aannemen van blijvende psychische invaliditeit in de zin van artikel 2 van de Wubo geldt hetzelfde, met dien verstande dat er beperkingen moeten zijn in twee van de vier AMA rubrieken.


2.9. Verweerder heeft appellant naar aanleiding van diens aanvraag laten onderzoeken door de psychiater A. Novac. Deze is tot de conclusie gekomen dat appellant lijdt aan een causale angststoornis en als gevolg daarvan (gering tot) matig beperkt is in de AMA rubrieken 2, 3 en 4. In dit laatste heeft verweerders geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas, Novac niet gevolgd. In bezwaar heeft een andere geneeskundig adviseur, de arts G.L.G. Kho, het oordeel van Maas onderschreven. Bij zijn besluitvorming heeft verweerder zich naar de adviezen van Maas en Kho gericht.


2.10. De Raad is echter van oordeel dat uit deze adviezen niet voldoende duidelijk en overtuigend blijkt waarom van het - zwaarwegende - oordeel van Novac is afgeweken. Wat betreft rubriek 2, heeft Maas opgemerkt dat uit de aanwezige (medische) gegevens niet naar voren is gekomen dat er problemen zijn met het onderhouden van sociale contacten. Daarmee lijkt Maas voorbij te gaan aan de uitdrukkelijke vaststelling in het rapport van Novac dat appellant, afgezien van een maandelijks bezoek aan de Nederlandse Club, geen contacten met vrienden onderhoudt. Wat betreft rubriek 3, merkt Maas op dat de door Novac genoemde nachtmerries, die appellant vermoeien en zijn concentratie verminderen, zich slechts tweemaal per maand voordoen. Daarmee lijkt Maas voorbij te gaan aan de vaststelling van Novac dat appellant ook wordt afgeleid door gedachten die verband houden met zijn oorlogservaringen en zijn werktempo ongunstig beïnvloeden. De stelling van Maas dat het wegdwalen van gedachten niet onder concentratie (rubriek 3) maar onder stress-adaptatie (rubriek 4) is te brengen, acht de Raad zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet te volgen. Ditzelfde geldt voor de stelling van Maas dat de door Novac in rubriek 4 genoemde beperking reeds is genoemd als beperking in rubriek 2. In rubriek 4 geeft Novac aan dat appellant overmatig prikkelbaar is en neigt tot uitbarstingen van woede. Daarmee doelt Novac, gezien de context, kennelijk op de manier waarop appellant reageert op stressvolle situaties. Het rapport van Novac biedt onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat het in rubriek 2 vermelde ontbreken van vrienden een gevolg is van frequente woede-uitbarstingen aan de zijde van appellant. Hooguit kan uit dit rapport worden afgeleid dat appellant in het verleden in stresserende werksituaties problemen met zijn opvliegendheid heeft ondervonden. Bovendien is niet zonder meer in te zien dat een (bepaald symptoom van een) bepaalde psychische aandoening niet invaliderend tot uiting zou kunnen komen in zelfstandige - van elkaar te onderscheiden - beperkingen in meer dan één rubriek, zonder dat van overlapping kan worden gesproken.


2.11. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd waarom appellant niet in de vereiste drie rubrieken zodanig is beperkt dat moet worden gesproken van verminderd functioneren in de zin van de Wuv. In dit opzicht is bestreden besluit 1 genomen in strijd met de artikelen 7:12, eerste lid, en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook het beroep in de Wuv-zaak is dus gegrond.


2.12. De Raad merkt nog op dat uit de uiteenzettingen van de geneeskundig adviseurs lijkt te volgen dat appellant in ieder geval wel in twee AMA-rubrieken causaal is beperkt. Volgens het beleid van verweerder zou dit moeten betekenen dat appellant blijvend invalide is in de zin van artikel 2 van de Wubo. Bij het nemen van een nieuwe beslissing in de Wubo zaak dient verweerder (ook) hieraan aandacht te besteden.


2.13. De slotsom luidt dat de bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking komen. Verweerder zal nieuwe beslissingen op bezwaar moeten nemen. Een meer doelmatige wijze om tot finale geschillenbeslechting te komen, ziet de Raad thans niet binnen zijn bereik.


3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding, omdat van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt de bestreden besluiten van 25 juni 2010 en 13 augustus 2010;

Draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 70, vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.C.P. Venema en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2001.


(get.) A. Beuker-Tilstra.



(get.) I. Mos.


HD